Armoede meten is gokken

Halvering van de armoede in 2015 is het streven van de Verenigde Naties sinds 1990.

Maar de armoedebestrijding lijkt eerder te stagneren – als de armoedecijfers al kloppen.

Aan wie vragen stellen Hieronder van links naar rechts de melaatse man, meneer Thunde en de jongen met de banjo. Door de gebrekkige techniek ter plaatse lukte het Dick Wittenberg gistermiddag niet om meer dan drie foto’s van dorpelingen door te sturen. Aan wie vragen kunnen worden gesteld, staat hier rechts. Hollandse Hoogte

Zeven jaar geleden stelden de lidstaten van de Verenigde Naties acht doelen voor verbetering van de wereld. Een van die doelen was halvering van de armoede. Het deel van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft, moest van 28 procent in 1990 naar 14 procent in 2015.

Twee jaar geleden waarschuwde de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties (UNDP) dat van die armoedevermindering niks terechtkwam. Tegelijkertijd presenteerde ze een gedetailleerd actieplan om dat doel alsnog te bereiken. Voorwaarde was dat de ontwikkelingshulp flink zou worden uitgebreid.

2005 was het jaar van de grote beloften. De G8, de club van grootste industrielanden plus Rusland, beloofde de ontwikkelingshulp binnen 5 jaar met 50 miljard dollar te verhogen tot 130 miljard dollar. De hulp aan Afrika zou in diezelfde periode worden verdubbeld tot 50 miljard dollar. Kopstukken van de Verenigde Naties spraken van een doorbraak. Vanaf 2005 zou de armoede versneld worden teruggebracht.

Maar is dat ook gebeurd? Ligt de armoedevermindering halverwege 2000 en 2015 op koers?

„Er is nog geen statistisch bewijs’’ dat armoedevermindering de laatste jaren in een stroomversnelling terecht is gekomen, schrijft Alison Kennedy, hoofd Statistiek van de UNDP in een e-mail. Dat komt doordat statistieken ver achterlopen op de werkelijkheid. De armoedecijfers van 2003 worden pas dit jaar bekend.

Daarbij zijn armoedecijfers niet meer dan een gecalculeerde gok. Eind jaren tachtig introduceerde de Wereldbank de armoedegrens van een dollar per dag. Wie minder kan besteden, heeft te weinig om van te leven. In 2001 telde de Wereldbank 1,1 miljard extreem arme mensen. Daarnaast waren er nog eens 1,7 miljard ‘gewone’ armen, mensen die leefden van minder dan twee dollar per dag.

Deze armoedegrenzen zijn van meet af aan omstreden, omdat ze niet uitgaan van wat een mens ten minste nodig heeft. Cijfers over armoede zijn ook nog eens ,,betekenisloos en onbetrouwbaar’’, schrijven de economen Sanjay Reddy en Thomas Pogge in hun artikel How not to count the poor. Ze zijn het resultaat van valutacorrecties en koopkrachtcorrecties en extrapolaties van vaak gedateerde nationale onderzoeksresultaten. Ze hebben met de werkelijkheid maar zijdelings van doen.

Recente cijfers ontbreken. Maar er zijn wel indirecte aanwijzingen dat de armoedebestrijding stagneert. Na de belofte van de G8 in 2005 om de steun aan arme landen drastisch uit te breiden, steeg de ontwikkelingshulp dat jaar tot het recordbedrag van 106,8 miljard dollar. Maar inbegrepen was een schuldenkwijtschelding van 12,9 miljard dollar aan Irak. Vorig jaar daalde de ontwikkelingshulp weer met vijf procent. Om de belofte van de G8 alsnog waar te maken, zou de steun jaarlijks met 11 procent moeten stijgen tot en met 2010. Geen enkele Afrikaanse minister van Financiën die daarin gelooft.

Komt er van halvering van de armoede dus niks terecht? Dat het doel niet gehaald wordt, wil niet zeggen dat er geen vooruitgang wordt geboekt. Armoedebestrijding is een van de succesverhalen van de moderne tijd. In 1820 leefde 85 procent van de wereldbevolking onder de armoedegrens. In 1950 was dat nog de helft, in 1980 31 procent.

Sindsdien is het deel van de wereldbevolking dat in bittere armoede leeft verder teruggelopen tot 19,4 procent in 2002, het meest recente cijfer. In Zuidoost-Azië en Oceanië kelderde het percentage tussen 1990 en 2002 van 19,6 tot 7,3. In Oost-Azië daalde het percentage in die periode van 33 naar 14,1. De beoogde halvering van de armoede tussen 1990 en 2015 hebben die regio’s bereikt in minder dan de helft van de tijd.

Maar in andere regio’s loopt de armoede minder snel terug, zoals in Zuid-Azië en Latijns-Amerika. En in Afrika blijft de armoede onverminderd hoog. Dat continent had toch al het hoogste percentage mensen dat leeft onder de grens van een dollar per dag. In 2002 was dat 44 procent. Bij ongewijzigd beleid stijgt het aantal extreem arme Afrikanen van 313 miljoen in 2001 tot 353 miljoen in 2015.

Armoedebestrijding faalt alleen in Afrika.