Zout, drup, hand

Karel Knip

Terug naar eerdere afleveringen, want er waren aanvullende en corrigerende opmerkingen. Op 24 maart ging het over onverklaarbare verschillen tussen steenzout en zeezout. Het steenzout dat door de voorloper van Akzo bij Hengelo uit de bodem werd gehaald was vroeger nogal hygroscopisch (wateraantrekkend) omdat er andere stoffen doorheen zaten dan alleen maar keukenzout (NaCl). Akzo wist het zout te zuiveren en daarna was het euvel verholpen. Maar het groezelige, grofkorrelige zeezout dat tegenwoordig zo in de smaak valt moet wel vol begeleidende stoffen zitten die het hygroscopisch maken. Toch trekt het ‘Middellandse zeezout’ dat Koninklijke Euroma (Wapenveld) in dure plastic molentjes verkoopt ook geen water aan, rarara hoe zit dat.

Deze vraag is niet beantwoord, terwijl dat goed beschouwd niet moeilijk was geweest. Het molentjeszout is ook gewoon steenzout, dat blijkt uit de kleine lettertjes op het potje: het komt uit de zeezoutmijnen van Middelland. Een medewerker van het onvolprezen tv-programma Keuringsdienst van Waarde heeft de mijn bezocht, hij ligt op Sicilië. ‘Het grappigst vond ik nog’, schrijft hij, ‘dat de mijn het zout net zo makkelijk fijnkorrelig kan leveren. Dan is helemaal geen dure molen nodig.’

Mag je dit nu boerenbedrog noemen? Dat is een vraag voor Neerlandici en juristen. Wat zeker mag: medelijden hebben met de culinaire zelfverwenners die vinden dat dit zout veel lekkerder is dan gewoon zout.

Twee weken geleden ging het over tropische planten en vooral over de bladeren van die planten die water veel sneller afvoeren dan bladeren van gewone planten. Voor een deel danken die tropische bladeren dat aan het karakteristieke puntje waarin ze vaak uitlopen. Die puntjes zijn hier ‘drip points’ genoemd, een kenner laat weten dat de term ‘drip tips’ gangbaarder is.

Van de druppunten naar de druppels was een kleine stap. In het tweede deel van het stukje kwamen de optische eigenschappen van los hangende druppels ter spraken. Het zijn positieve lensjes die in principe als loep zijn te gebruiken. De sneer die en passant werd uitgedeeld in de richting van reeds lang overleden schrijvers van jongensboeken met adviezen voor het zelf maken van loepjes is veel oudere jongens slecht bevallen. De jongensboeken beschreven hoe je een druppel water moest vangen in een lus haar of een draadje of zoiets en dat je dan vanzelf een positieve lens kreeg. Een loep dus. Het was van AW-wege nog eens herhaald maar met het beschikbare haar was een negatieve lens ontstaan. Daar heb je niets aan.

Dat was niet gebeurd als je voldoende water had opgevangen in de lus, roepen de oude jongens in koor, je moet een dikke druppel zien te krijgen. Zij stuurden foto’s op van zelfgemaakte loepjes die het uitstekend doen. Lezer Onno van H. in Brielle stuurde zelfs het zelfgemaakte instrumentarium zelf op. Zie de foto. En gezegd moet worden: het werkt.

Een docent natuurkunde uit Rotterdam voegt er een kras staaltje aan toe. ‘Mijn vader (83) deed een interessante waarneming. Als je een tijdje recht naar beneden staart zonder te knipperen (beetje persen helpt) hoopt zich traanvocht op dat als een druppel blijft hangen aan het hoornvlies. Ook die blijkt uitstekend te werken als loep: ongeaccomodeerd scherp zicht tot op zo’n 5 cm afstand.’ Dus helemaal geen haar nodig! Alleen beetje persen. Daar zijn de overleden schrijvers van die jongensboeken nooit opgekomen.

Zou je de intensiteit van het menselijk metabolisme kunnen schatten door je hand in een glas water te steken en te meten hoeveel dat water opwarmt? Dat was de vraag die vorige week bleef hangen. Een linker AW-hand van 500 ml inhoud ging in een ruim bekerglas waarin vooraf 600 ml water van 14 graden Celsius was geschonken. Toen liep het glas nog net niet over. Binnen een minuut was de temperatuur 1,5 graad gestegen. Dan had de hand kennelijk een thermisch vermogen van 63 watt, was de conclusie. Ruwweg een factor honderd te veel. Schortte er wat aan de proefopzet?

Ja, natuurlijk. Hier waren twee dingen door elkaar gehaald: de warmte die bij het begin van de proef al in de hand aanwezig was en de hoeveelheid die daar per tijdseenheid door de ‘verbranding’ in de hand en de aanvoer van warm bloed aan werd toegevoegd. Alleen die laatste twee zijn als maat voor het metabolisme te gebruiken. Bedenk dat een stuk lauwe griesmeelpudding het water net zo snel had kunnen opwarmen. Maar zo’n pudding heeft helemaal geen metabolisme.

In een betere proefopzet was een uur gewacht tot de temperatuur van het badwater rond de hand niet verder meer steeg. Daarna was een elektrische warmtebron van bekend vermogen gezocht die precies hetzelfde temperatuurverschil met de omgeving had opgewekt. Omdat het vermogen van de zittende mens op ongeveer 110 watt wordt geschat en het volume van de hand maar 1/155ste van het totaal lichaamsvolume bedroeg was het vermoeden dat een fietsachterlichtje de volmaakte remplacant zou zijn. Dat levert 0,7 watt als er een spanning van 6 volt over wordt aangelegd. (En 110 gedeeld door 155 is ook 0,7.)

Bij gebrek aan beter zijn vier batterijen van 1,5 volt in serie aan elkaar en aan zo’n achterlichtje gesoldeerd. Daarna ging dat lichtje kopje onder in het gevulde bekerglas. Na een hele nacht was de temperatuur daarin precies met 1 graad gestegen: van 19 naar 20 graden. (We zwijgen over de gasontwikkeling en over de vieze troep die het lichtje in het water produceerde.)

Wat deed de warme hand? Die wekte een eindtemperatuur van wel 30 graden op in een omgeving van 19 graden. Nog steeds klopt er dus geen barst van, de hand produceert te veel warmte, maar het lampje misschien te weinig. Er was al voor gewaarschuwd: de calorimetrie van het menselijk lichaam is geen eenvoudige zaak. Qua orde van grootte zou je toch in de buurt moeten kunnen komen.