Vroege selectie

We spraken over de steeds vroegere selectie in ons onderwijs. Het gesprek vond plaats na afloop van een uitgebreid etentje dat hij had met vrienden, en dan is niet alles wat je over een dergelijk onderwerp ter sprake brengt geschikt om te citeren. Dus vroeg ik Bram de Swaan later of hij wat hij toen zei nog eens wilde verwoorden en hij formuleerde dat toen als volgt: “Vroege selectie geeft de kansrijkste kinderen nog meer kans om te excelleren, maar biedt de kansarmere kinderen nog minder kans om hogerop te komen.”

In de jaren negentig is een grootschalig onderzoek gedaan naar de effecten van allerlei vormen van groepering van leerlingen in de eerste leerjaren van het voortgezet onderwijs. Dat onderzoek wees uit dat leerlingen het beste presteren in een groep met klasgenoten van ongeveer hetzelfde niveau. Ouders hebben geen onderzoek nodig om te weten dat het zo werkt. Dit verklaart de ontwikkeling die het Nederlandse onderwijs al een aantal jaren te zien geeft: brugperioden worden korter en de brugklassen steeds homogener. De categoriale gymnasia beleven een ongekende bloeitijd. Een goede Cito-uitslag wordt gevierd als een succesvol afgelegd examen. Al deze ontwikkelingen duiden erop dat ouders in toenemende mate belang zijn gaan hechten aan een goede opleiding voor hun kinderen. Meer dan ooit wordt goed onderwijs gezien als de sleutel voor maatschappelijk succes.

Het is duidelijk: vroege selectie geeft de kansrijkste kinderen nog meer kans om te excelleren. Maar betekent dat ook dat daarmee de kansarmere kinderen minder kans krijgen om hogerop te komen? Dat hangt af van de vraag in hoeverre de selectie na de basisschool een definitief karakter heeft.

Naast die kansrijkste, betere leerlingen zijn er velen die helemaal niet gericht zijn op leren, jongens en meisjes voor wie de school een verplichting is waar ze zo weinig mogelijk tijd en energie aan besteden, leerlingen voor wie voetballen, tennissen, de computer, hangen met vrienden, denken over het leven of wat dan ook veel en veel interessanter activiteiten zijn dan de school. En van die talloze niet op school en leren gerichte kinderen krijgen velen later alsnog de geest.

De mavo is traditioneel niet alleen het schooltype voor deze kinderen, maar ook het schooltype dat kansarme kinderen de mogelijkheid bood om hogerop te komen. Een jaar of tien geleden is besloten de mavo samen te voegen met het vbo tot vmbo. Deze onderwijspolitieke beslissing is, net als de Wet op de Basisvorming, een besluit geweest dat scholen geweigerd hebben uit te voeren. Maar door die nieuwe wet is het mavo-landschap wel veranderd.

Vroeger kenden we naast de zelfstandige mavo’s nog één andere variant: de mavo in combinatie met havo/vwo. Daar is nu een derde variant bijgekomen: de mavo in combinatie met vbo. In de praktijk betekent dit twee soorten mavo’s: één met uitzicht op havo/vwo voor de kansrijken en één zonder dat uitzicht voor de kansarmeren.

Voor een gezonde sociale en economische ontwikkeling is sociale mobiliteit een eerste vereiste. Getalenteerde, ambitieuze jongeren met een kansarme achtergrond moeten kunnen klimmen op de maatschappelijke ladder. Dat dit steeds minder mogelijk is, wordt niet zozeer veroorzaakt door de schoolkeuze van kansrijke kinderen als wel door de ontwikkeling van ons schoolsysteem. Het zou daarom logisch zijn de mavo ook formeel weer van het vbo los te koppelen. Daarmee zou men ook tegemoet komen aan de wens van het gros van de Nederlandse kiezers. Toch niet iets om je als politicus helemaal onverschillig voor te tonen.

lgm.prick@worldonline.nl