Voorkom dat het liberalisme wordt een blanke aangelegenheid

Het liberalisme dreigt in volslagen tevredenheid ten onder te gaan. Maar in Zuid-Afrika wordt duidelijk hoe hard het nodig is om een tegengeluid te laten horen in een tijd van samen, samen, samen.

Stephan Sanders

Schrijver en essayist. Zijn meest recente boek is ‘Binnenstebuiten, over politiek, personae en het persoonlijke’.

Het is tegenwoordig in Nederland betrekkelijk gangbaar je als liberaal te afficheren. Het hoeft je geen vrienden te kosten. Dat is niet altijd zo geweest: toen ik 25 jaar geleden aan de Universiteit van Amsterdam studeerde, politieke wetenschappen nota bene, was het ongehoord je tot het liberalisme te bekennen. Zelfs het sociaal-liberalisme van D66 gold in die kringen als kantje boord. Kantje boord van wat? Van het rechtse, het reactionaire gedachtengoed. Dat is allemaal veranderd.

Maar naast gangbaar dreigt het liberalisme in Nederland ook futiel te worden. D66 is een hospice geworden van wat ooit de vierde politieke stroming van Nederland was. De VVD is – zullen we netjes blijven? – in zichzelf verdeeld. Er is een nieuw kabinet, waar de liberale krachten niet bepaald de overhand hebben. Als er al een geest waait, is dat er een van het collectief en van communitarisme. Dat zijn de ideologische feiten, maar, het moet gezegd, Nederland is daardoor niet schokkend veranderd. Ik was elders toen het nieuwe kabinet zijn beslag kreeg, en bij terugkomst durfde ik te zweren dat ik mijn geboorteland nog steeds herkende. Wat is dan nog de urgentie van het liberale geluid?

Al met al kleeft het liberalisme in Nederland en in de rest van de welvarende, westerse landen iets vrijblijvends aan: het is van een negentiende-eeuwse radicale maatschappijvisie, waarin het individu centraal staat, verworden tot een gezapig, bijna gezellig gedachtengoed dat zelfvoldaan tegen het conservatisme aanleunt. Meer asfalt, minder vluchtelingen – die niet direct van intellectualisme doortrokken visie. Het liberalisme dreigt in volmaakte tevredenheid ten onder te gaan.

En toch heb ik die hardnekkige neiging me als liberaal te blijven profileren, met het idee, dat de verhouding tussen staat en burger van levensbelang is; dat de overheid haar grenzen moet kennen; en dat het belang van het individu niet automatisch ondergeschikt is aan dat van de groep.

Het is soms nodig dat de overheid zich mengt in het leven van haar burgers, maar een nastrevenswaardig ideaal vind ik dat niet. Zoals de Amerikaanse filosoof Richard Rorty in een van zijn meer heldere moment schreef: „Soms moet de overheid de mensen vooral met rust laten.”

Als we teruggaan naar die beroemde trits van de Franse Revolutie ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’, heb ik me altijd vooral kunnen vinden in die volgorde. Eerst vrijheid. Dan gelijkheid, de gelijkheid van dezelfde mogelijkheden en kansen. En vervolgens als derde dan de broederschap – het is een beetje het stiefkind van die leus, al was het maar omdat ‘broederschap’ een veel sentimentelere notie is dan vrijheid en gelijkheid. Liberalen staan er daarom van oudsher wantrouwend tegenover: ja, die warme, collectieve gevoelens, het is allemaal prachtig en mooi, maar hoe groot is het gevaar dat die broederschap geen resultaat is van de interactie tussen vrije burgers, maar opgelegd pandoer, voorschrift van de overheid, afgedwongen eenheid?

Om een voorbeeld te noemen: het zou de liberalen in de discussie over dubbele nationaliteit hebben gesierd, wanneer zij zich niet in de sentimentele sfeer hadden begeven van persoonlijke ‘loyaliteit’ of zelfs ‘integriteit’, maar duidelijk hadden gemaakt wat de werkelijke politieke misstand is: dat landen als Marokko en Iran hun burgers beschouwen als bezit van de staat. Geen liberaal kan die onvrijheid over zijn kant laten gaan. De kinderen, de kleinkinderen van een Marokkaanse Nederlander: ongevraagd en geheel automatisch krijgen ze de Marokkaanse nationaliteit toebedeeld. Het is de erfzonde als grondwet, de broederschap als plicht.

Ik schreef het al, ik was elders toen het kabinet-Balkenende IV bij de koningin op de stoep stond. Dat elders was Zuid-Afrika, Kaapstad om precies te zijn. Ik was daar niet per se om over het liberalisme na denken, en toch is dat wat ik er constant deed.

Er zijn weinig plekken op aarde waar het liberalisme zo weinig smoel heeft gekregen als juist daar. Sterker nog, ik kwam in de verleiding om dat gruwelijke verleden van Apartheid, die in 1994 officieel werd afgeschaft maar nog tot in alle poriën van de samenleving voelbaar is, om dat apartheidsverleden als een gebrek te zien van het liberalisme.

Dat is het bij nader inzien niet. Juist een gebrek aan liberalisme heeft de Apartheid mogelijk gemaakt, die onmenselijke ideologie, die met het nazisme en het communisme mag vechten om het ereschavot van de twintigste eeuw.

Het Zuid-Afrikaanse wonder is vaker beschreven: een maatschappij, die al een eeuw gesegregeerd en verscheurd was, waarna in 1948 Verwoerd aan de macht kwam met zijn apartheidsideologie en de ongeschreven wetten officieel maakte en uitbreidde, waarna in 1994 een niet gewelddadige omwenteling plaatsvond, met Mandela als het ongekroonde politiek genie.

Dat wonder van one man, one vote, die overgang van dictatuur naar democratie, van een racistische gemeenschap naar een liberale rechtsstaat, mag een triomf heten van het liberalisme. Geen revolutie, geen bijltjesdag of kaalgeschoren koppen, geen georganiseerde wraak op de blanken, van wie een klein deel actief deelnam aan het verzet, maar van wie het gros op zijn minst heeft geprofiteerd van het systeem.

Maar er is praktisch niemand die dat wonder aan het liberale gedachtengoed zal toeschrijven. Het liberalisme wordt eerder als medeschuldige aan de Apartheid ervaren. Het Zuid-Afrikaanse liberalisme is grotendeels blank, altijd zo geweest, ook al weten de liberalen nu stemmen te trekken onder de Kleurlingen van de Westkaap.

Die raciale eenzijdigheid is de verschillende liberale partijen in Zuid-Afrika ook werkelijk aan te rekenen. In de praktijk bleek het idee van de ondeelbare vrijheid toch vooral voor blanken te gelden. Verwoerd kon in 1948 met een minderheid van Afrikaners de apartheidsmacht grijpen, juist omdat er te weinig liberalen waren die aan hun liberalisme vasthielden, die zagen hoe onverenigbaar het liberalisme is met dit racistische gemeenschapsdenken.

Kortweg, conservatieve liberalen maakten gemene zaak met het apartheidsregime, waarna het liberalisme nooit meer is hersteld. Het is niet ongevaarlijk wanneer liberalen vergeten waar hun maatschappijkritische wortels liggen. Ook voor Nederlandse liberalen mag dat een les zijn.

Uitzondering in Zuid-Afrika is Helen Suzman, de oude dame die decennialang de liberale oppositiestem heeft verwoord in het parlement, dat alleen voor blanken openstond. Haar analyse nu, na de vreedzame overgang: „In Zuid- Afrika zijn liberalen een bedreigde soort.”

Ik schreef al: geen westers land ter wereld waar het liberalisme zo weinig gezicht kreeg. Maar ook: geen land dat een grotere, een urgentere testcase voor het liberalisme is dan Zuid-Afrika. Een testcase die niet alleen de Nederlandse kwesties relativeert, maar ook opnieuw kan inspireren, urgentie kan geven.

Het liberalisme is principieel kleurenblind, het verdraagt geen discriminatie op grond van huidskleur, en het feit dat een ‘liberaal’ als de Zuid-Afrikaanse filosoof en staatsman Jan Christiaan Smuts dacht dat een beetje discriminatie best kon, tekent zijn nagedachtenis. Die Smuts is sowieso een interessante casus: hij werd na de Tweede Wereldoorlog actief voor de Verenigde Naties, waar hij meeschreef aan de preambule over de Universele Mensenrechten. In den vreemde was hij ruim van geest, maar thuis geloofde hij in blanke suprematie en een ‘aparte ontwikkeling’ voor zwarten. Officieel een universalist, maar als het erop aan kwam boog hij voor ’s lands wijs, ’s lands eer. Buitenshuis liberaal, binnenshuis conformist.

We zien hier hoe de liberale ideologie besmet raakt met cultuurrelativistische elementen, die juist zo’n belangrijke rol speelden bij de totstandkoming van de Verenigde Naties. Moesten groepsrechten prevaleren, van onderdrukte volkeren of gekoloniseerden, of toch dat ene, individuele en ondeelbare recht? De gemeenschapsdenkers en de broederschapsideologen wonnen. Daarmee ontnamen de VN zichzelf het enige echte wapen waarmee de Apartheid tot op het bot viel te kritiseren. Nu, in het nieuwe Zuid-Afrika, waar de problemen overweldigend zijn en de oplossingen dun gezaaid, wordt alle heil verwacht van het Afrikaanse concept van ‘ubuntu’. ‘Een- zijn’ moet het betekenen, en ‘menselijk worden door anderen’. Ook de ANC-regering draagt dit concept officieel uit. Ik zie daar weinig in, omdat ook hierin broederschap en gemeenschapszin weer centraal staan. Het idee is dat de eenling zich altijd moet realiseren dat hij ‘onderdeel is van een groter geheel’. ‘Ik ben, omdat wij zijn’, luidt een andere vertaling, en daarmee wordt het precieze tegendeel van het Cartesiaanse Cogito, ergo sum (ik denk, dus ik ben) beweerd.

Ik ben blij dat Zuid-Afrika een gedegen grondwet kent, want als burger zou ik niet blindvaren op dat hooggestemde maar ook schimmige idee van ubuntu. Je kunt er geen recht aan ontlenen, hooguit een gunst. En weer dreigt het individu opgeofferd te worden aan de groep, en dat in een land waar het groepsdenken tot zulke raciale gekte heeft geleid.

De erfenis van het apartheidssysteem blijft nog generaties lang radioactief, en die erfenis maakt dat er nu zoiets bestaat als een ‘groepsdemocratie’ van regenboogfracties (Zulu’s, Kleurlingen, Afrikaners) veel meer dan van vrije burgers. Het meest tergende aan een bezoek aan Zuid-Afrika is nog steeds die raciale geschiedenis, die je als een natte handdoek in je gezicht krijgt geslingerd. Je wordt hoe dan ook onderdeel van dat raciale drama, de blanke Nederlander moet zich ineens de hele dag bewust zijn van zijn blankheid. Ikzelf was buitenlander zolang ik sprak, maar Kleurling als ik zweeg. Zelfs dat half time baantje Kleurling zijn vond ik beperkend en frustrerend. Nog steeds heb ik het idee dat mijn huidskleur geen goede indicatie is voor wie of wat ik ben, of tot welke groep ik behoor.

In Zuid-Afrika spelen grote vragen: wordt het de facto liberalisme van Mandela voortgezet, of winnen de socialistische en marxistische fracties in het ANC? Hoe ver weg ligt Zimbabwe? Vervalt het land weer in het massieve groepsdenken, nu met de omgekeerde ideologie, waarin zwart bovenaan staat, blank als tweede komt, en de Kleurling, helaas, tussen wal en schip dreigt te vallen? Of weten de Zuid-Afrikaanse liberalen een werkelijk alternatief te vormen voor alle bevolkingsgroepen, die elkaar niet hoeven te herkennen in huidskleur, maar in politieke gezindheid?

Terug in Nederland stond daar een nieuw kabinet. Samen, samen, samen. De Hollandse variant van ubuntu. Saamhorigheid als dure plicht.

De liberalen zitten in de oppositie en daar is genoeg te doen. Zouden ze misschien iets van die Zuid-Afrikaanse urgentie kunnen overnemen? Want net zo goed als in Zuid-Afrika is het een veeg teken dat het Hollandse liberalisme nauwelijks de gekleurde Nederlanders heeft weten aan te spreken. Die paar uitzonderingen die er zijn of zijn geweest (Ayaan Hirsi Ali, Laetitia Griffith) – daar kun je als politieke stroming toch geen victorie bij kraaien.

Ook in Nederland dreigt het liberalisme de facto een blanke aangelegenheid te worden. En al mag de ideologie nog steeds kleurenblind zijn, de praktijk spreekt boekdelen.

In ieder geval zouden liberalen zich moeten keren tegen het groepsdenken – in Nederland verwoord als het onderscheid tussen ‘allochtonen’ en ‘autochtonen’. Een beetje liberaal moet dat een gruwel zijn. Wat is de ‘groepsband’ tussen allochtonen: dat zij allen tot de niet-blanke Nederlanders gerekend worden? Door wie? Door de gevestigde blanke Nederlanders. In het huidige Zuid-Afrika zou daar een beetje beschaamd op worden gereageerd.

Ten tweede zou het de liberalen sieren nu eens werk te maken van die ‘volkspartij’-gedachte. Dat betekent dat niet alleen de blanke loodgieter, maar ook zijn Nederlands-Surinaamse collega, en de moslimwinkelier zich aangesproken moeten kunnen voelen door het liberale gedachtengoed.

Het wachten is op een Nederlandse variant van het liberalisme die onsentimenteel is en wereldwijs – niet de Hollandse versie die nu in de praktijk bestaat.