Vier jaar tv kijken in de woestijn

114 Palestijnse vluchtelingen uit Irak zitten vast in een kamp in het oosten van Jordanië. Na de val van Saddam Hussein in 2003 sloegen ze op de vlucht. Ze kunnen niet terug, mogen Jordanië niet in, en geen enkel ander land wil hen toelaten.

Met opengesperde ogen volgt Sabrine (17) de reportage van Al-Jazeera over ‘Virginia Tech’. Onthutst vraagt zij: „Waarom? Hij was vrij. Besefte hij dat wel?”

De jonge statenloze Palestijnse die samen met haar ouders en 111 andere ‘Iraakse Palestijnen’ al vier jaar opgesloten zit in een UNHCR-vluchtelingenkamp bij het Oost-Jordaanse gehucht Al-Ruweishid, vindt Cho Seung-Hui nog moeilijker te doorgronden dan de burgeroorlog in haar geboorteland.

„Mijn hersens staan stil als ik hem zie”, fluistert Sabrine. Het houten skelet van de familiehut kraakt door de aanzwellende wind, de witte en blauwe tentzeilen beginnen te klapperen. Donkerbruine, bijna zwarte wolken zand en gruis zullen even later de zon verduisteren. Over een paar weken stijgt de temperatuur hier overdag tot 50 graden.

TV-kijken, liefst naar doktersseries, de hut schoonmaken, op schorpioenen en slangen jagen met haar kat Madonna zijn haar enige bezigheden. In Al-Ruweishid Kamp – 55 kilometer van de grens met Irak en 483 kilometer van Amman – ontbreken boeken, scholen, internet; er is wel satelliet-tv. Sabrine, haar ouders en de buren weten daarom precies waarom zij gevlucht zijn, maar ook wat zij missen.

„Een hond kan het kamp uit. Wij niet”, zegt Ibrahim Said, de vader van Sabrine. „We zitten al vier jaar opgesloten in een gevangenis, alleen omdat wij door een speling van het lot Palestijnen zijn. Zijn wij misdadigers? Nee. Een crimineel weet hoe lang zijn straf duurt. Wij weten niets”, roept de voormalige elektrotechnicus.

Net als alle andere 35.000 paspoortloze Iraakse Palestijnen is hij een kind van vluchtelingen uit de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948. Zijn vader en moeder, toen tieners, werden met duizenden Palestijnse jongeren door het Iraakse leger voor „drie of vier dagen” geëvacueerd uit Haifa. Maar Israël won en Irak werd hun thuisland.

Onmiddellijk na de val van de Iraakse leider Saddam Hussein in 2003 werden de Palestijnen een doelwit voor shi’itische milities. Niet alleen omdat Palestijnen sunnieten zijn, maar met name omdat zij speciale bescherming genoten van Saddam, die zich had opgeworpen als beschermheer van de Palestijnse zaak.

„Na de Amerikaanse invasie was het dus de beurt aan onze generatie om te vluchten”, zegt Ibrahim cynisch. Zijn broer en twee neven werden vermoord door criminele bendes.

Ibrahim, zijn vrouw Raisa en dochter vluchtten naar Jordanië, net voor het koninkrijk de grenzen sloot. Zijn 26-jarige zoon Mohammed maakte een omweg via de universiteit om zijn ingenieurscertificaat op te halen en stond een dag later voor een dichte grens. Hij zit met zijn familie in een kamp in het niemandsland tussen Syrië en Irak.

Isam Izza, tot maart 2003 docent aan de Landbouwhogeschool van Bagdad, legt uit dat Saddam Hussein en PLO-leider Yasser Arafat goed bevriend waren, maar dat de gewone Palestijnen in Irak tweederangsburgers waren. „De meeste Palestijnen mochten geen huis bezitten, geen auto kopen en banen bij de overheid en het leger waren voor ons niet bereikbaar. We hoefden geen huur te betalen, maar we werden voortdurend gediscrimineerd”, zegt Izza, die zijn shi’itische vrouw en hun twee kinderen heeft achtergelaten in Bagdad. „Ik weet zeker dat ik vermoord zou zijn als ik niet in de taxi naar Jordanië was gestapt. En ik weet ook precies door welke leider van het Leger van de Mahdi, namelijk mijn oude overbuurman.”

Onder de inmiddels miljoenen gevluchte Irakezen vormen de ongeveer 20.000 Palestijnen een bijzondere categorie. „Zij kunnen niet voor- of achteruit. Zij hebben geen paspoorten, kunnen niet terug want dan worden zij vermoord en kunnen niet verder want niemand wil hen toelaten”, zegt Rana Sweis namens de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR in Amman.

Jordanië, Syrië en de andere Arabische landen laten uit vrees voor precedentwerking geen Palestijnen meer toe. Deze landen hebben het Vluchtelingenverdrag van 1951 niet ondertekend en zijn formeel tot niets verplicht. ‘Iraakse Palestijnen’ vallen ook niet onder de UNRWA, de speciale VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen uit de oorlogen van 1948 en 1967.

De EU, de VS en Azië houden hun grenzen dicht, omdat niet aangetoond zou zijn dat zij systematisch vervolgd worden in Irak. De Palestijnse Autoriteit heeft onderdak aangeboden, maar Israël wil de groep niet doorlaten. „De landen die dit probleem hebben gecreëerd, kijken de andere kant op. En wij hebben te weinig middelen. Dat is wrang”, zegt een hoge UNHCR-functionaris in Amman.

Ibrahim Said, de 52-jarige vader van Sabrine, denkt hier te zullen sterven van verveling. „Ik ben voor niets gevlucht. Doodgaan kon ik ook in Bagdad”. Hij heeft van zijn hut met voorportaal, ontvangstkamer, vrouwenverblijf, keukentje, douche en Franse wc een „paleisje in de woestijn” gemaakt. Regenwater vangt hij op met roestige bakken. Via een buizenstelsel worden een paar kruidenplanten besproeid.

Terwijl de mannen roken of stil voor zich uitkijken en de wereld haten, de Arabische landen voorop, vechten de vrouwen tegen binnenwaaiend woestijnzand en proberen de kinderen bezig te houden. „Als het regent dan ontstaan er vloedgolven, als het waait ontstaan er woestijnstormen die je adem afsnijden, als de zon schijnt verandert iedere tent in een oven”, zegt Ikhlas Aziz, een buurvrouw. In Bagdad was zij boekhoudster van een grote supermarkt.

Zij vertelt over haar opstandige dochters van 15 en 17. „Er is geen school, er is niets voor hen. Er waren hier in het begin ook tientallen Iraakse leeftijdsgenoten. Die mochten allemaal vertrekken naar Amman en sommigen zelfs naar Nieuw Zeeland. Zij vragen zich nu af waarom zij anders zijn en wat er mis is met hen.”

De tent van Isam Izza is een zwijnenstal op uitgedroogde modder, versierd met foto’s van zijn vrouw en beeldschone dochters en een poster van Royal Jordanian (‘Vlieg met ons de wereld over’). Hij schrijft woedende artikelen over de „totale ondergang van Irak” en tirades tegen de „verrotte, corrupte Arabische regimes”.

Niet alleen mist hij zijn vrouw, zijn kinderen en zijn boeken, maar ook zijn dagelijkse whisky. Grijnzend: „Je kan zeggen wat je wilt over het monster Saddam Hussein, maar in zijn Irak mocht je in ieder geval wel een glas drinken. Mijn vriend, neem als je nog een keer terugkomt een fles mee. Cognac mag ook. Please!”