Van klas naar klas

Studiehuis en nieuwe leren zijn nauwelijks doorgedrongen op de middelbare scholen. “De analyse van de crisis klopt niet.” Marlies Hagers

Op schoolpleinen kun je zien hoezeer de populatie op de scholen is veranderd. “Het onderwijs mag geen selectiemachine meer zijn.” foto Roel Rozenburg Nederland, 2004. Schoolplein voortgezet onderwijs tijdens de pauze. groepsvorming. Foto:Ton Poortvliet/HH Hollandse Hoogte

Marten Elkerbout werkt bijna 25 jaar in het onderwijs. Als leraar, lerarenopleider, schoolleider en inspecteur zag hij de ene na de andere onderwijsvernieuwing voorbij komen. “Je kunt gerust zeggen dat ze allemaal mislukt zijn”, zegt hij. Maar: hij bedoelt niet dat die hervormingen verkeerd zijn uitgepakt, hij noemt ze mislukt omdat ze niet zijn ingevoerd. Dat geldt ook voor het nieuwe leren. “Dat is nu de grote boosdoener”, zegt hij. “Maar in het voortgezet onderwijs is het nieuwe leren nauwelijks doorgedrongen.” De analyse van de crisis klopt niet, volgens hem, in ieder geval niet voor het voortgezet onderwijs. “Dat is treurig en jammer, want dan krijg je ook verkeerde oplossingen.”

Wat is dan die analyse? In deze krant heeft vooral filosoof Ad Verbrugge de deplorabele staat van het onderwijs aan de orde gesteld. Het bijbrengen van vaardigheden is belangrijker geworden dan kennisoverdracht, de goede vakleraar is de klas uitgestuurd. En nu is er ook nog het nieuwe leren.De hervormingen zijn bovendien buiten het onderwijs bedacht en tegen de zin van leraren ingevoerd door een almaar uitdijend management, dat geen verstand heeft van onderwijs. Oké, dat het juist goed gaat met het onderwijs, zul je ook Marten Elkerbout niet horen zeggen. In één ding geeft hij de critici gelijk: de beleidmakers hebben luchtkastelen gebouwd en stelselmatig de ontwikkeling van goed leraarschap vergeten.

Sinds een half jaar is Elkerbout (49) rector van het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium. Zijn werkkamer aan het mooie, oude Barlaeus-gebouw kijkt uit op Paradiso. “Als ik somber ben over het onderwijs heb ik het over het totaal, niet over het Barlaeus”, zegt hij meteen. “Scholen als deze doen het altijd wel goed. Wij vinden makkelijk goede leraren en we hebben leerlingen waar je nog goed mee kan werken.” Die goede leerlingen staan te dringen. Kort voor het gesprek heeft een notaris de loting verricht: 47 van 187 aangemelde, ‘plaatsbare’ brugklassers krijgen die dag te horen dat ze helaas niet op het Barlaeus terecht kunnen.

debatles

“Natuurlijk, hier op school hebben we bij Nederlands nu ook debat, en onze leerlingen maken profielwerkstukken waarvoor ze onderzoekachtige dingen doen”, zegt Elkerbout. “Het programma is veranderd: meer vakken en minder uren per vak.”

Een verandering die het niveau per vak heeft doen dalen, vindt hij. Maar wat wil je ook als je ineens van zes of zeven naar dertien vakken gaat? “Maar het studiehuis waar al die kritiek over gaat, daar zijn maar heel weinig scholen voluit voor gegaan.”

Elkerbout was bij de invoering van de tweede fase in 2000 inspecteur en zat er daardoor dicht op. Overal zie je de leerlingen nog gewoon uur na uur van klas naar klas gaan, zegt hij. “De ideologie die tegelijk met de hervormingen werd verspreid, is voornamelijk genegeerd. Je had het begrip ‘zelfstandig leren’ dat daarin steeds opduikt. Boekaerts en Simons, twee hoogleraren die er een boek over schreven, bedoelden ermee – dit wordt jargon – dat leerlingen de verantwoordelijkheid moesten krijgen om eigen keuzes te maken in hun leerproces. Vertaal dat maar eens naar de praktijk. Scholen interpreteerden het vaak als ‘zelfstandig werken’.” Er kwamen studiewijzers – “veredelde huiswerkplanners” – en methodes met werkboeken die de kinderen zelfstandig konden doorwerken. “Vreselijk, het leerproces wordt er juist mee dichtgetimmerd.” Maar leraren staan met de rug tegen de muur. “Wij leunen te veel op de methodes, maar je overleeft ook niet zonder. Als je 25 uur per week les staat te geven, ben je echt niet in staat om zelf je materiaal te maken.”

In het vmbo kun je volgens Elkerbout zien hoe nodig het is om juist wel het onderwijs te veranderen. “Bij de theorielessen heb ik daar te vaak klassen gezien waar de kinderen ongeïnteresseerd in de banken hangen. Dat is de dood in de pot.” Tegelijk weten we dat het meer dan ooit nodig is om die kinderen bij de les te houden. “Vroeger waren ze er ook, de kinderen die in klassikale lessen weinig opstaken. Op de basisschool mochten die dan de plantjes water geven. Ze kwamen als analfabeten van school af. Nu roepen we moord en brand als dat gebeurt en dat moet ook, want je weet dat kinderen in deze maatschappij niet terecht kunnen als ze niet kunnen lezen en schrijven.”

Met andere woorden: het onderwijs kan het zich niet meer veroorloven een selectiemachine te zijn. “Ook op havo en vwo moet alles erop gericht zijn niet alleen de besten maar ook de gemiddelden aan een diploma te helpen.” Dat makkelijke laten ‘afstromen’ van leerlingen naar een lager niveau vindt Elkerbout niet meer kunnen. Dan wordt het vmbo helemaal het afvoerputje van het onderwijs.

Dat klinkt als een pleidooi voor een didactiek in de richting van het nieuwe leren. Maar ook dat nieuwe leren vraagt om goed leraarschap dat begint met gedegen vakkennis, benadrukt Elkerbout. “Ik zat als inspecteur een keer bij een les Duits. Ik dacht: volgens mij is mijn Duits beter. Bleek dat het een geschiedenisleraar was. De schoolleiding had geen leraar Duits kunnen vinden en op zijn eindlijst voor de havo had hij een hoog cijfer gehad voor Duits. Dat kan dus niet, maar het gebeurt.”

“Een leraar”, zegt Elkerbout, “zal eerder zeggen ‘ik ben econoom’ dan ‘ik ben leraar’. Het vak is zijn motivatie. Maar het is zo jammer dat we er blijkbaar niet in slagen de gemotiveerde leraren te laten zien wat er te halen valt uit didactiek en pedagogiek.” Elkerbout is zelf lerarenopleider geweest, maar heeft geen hoge pet op van de huidige opleidingen. Ook niet van de universitaire lerarenopleidingen. “Hier op school heb ik een paar slimme, jonge leraren, allemaal zagen ze de lerarenopleiding die ze op de universiteit moesten doen als een corvee. Omdat je er te weinig leert – niet over ontwikkelingspsychologie of jeugdcultuur – en teveel bezig bent met reflecteren op je eigen functioneren.” Zelf ging Elkerbout Nederlands studeren toen hij al wist dat hij leraar wilde worden. “Maar de meesten kwamen tegen wil en dank in het onderwijs terecht, omdat het nu eenmaal een automatisme was om je onderwijsbevoegdheid te halen.” Was dat nog maar zo, zegt hij. Dan was er nu misschien niet zo’n tekort aan eerstegraadsleraren. Nu kun je alleen nog leraar worden als je er speciaal een master voor kiest.

“Het is ook zo jammer dat leraren niet betrokken worden bij interessant wetenschappelijk onderzoek”, vindt Elkerbout. “Nu horen ze er niet eens van. Onderzoekers brengen hun uitkomsten ook zelden op een inspirerende manier naar buiten, zodat leraren er iets aan hebben.” Het eerder genoemde boek van Boekaerts en Simons is het ultieme slechte voorbeeld. “Niet om door te komen dat boek. Maar wat er in staat is geen onzin en het is gebaseerd op empirisch onderzoek.”

sjablonen

Als ‘manager’ houdt Elkerbout zich juist veel met het onderwijs bezig. “Wat ik wil is dat de kinderen hier goed les krijgen. Ik weet ook wel dat er scholen zijn waar het management ver af staat van de klas. Maar dat gebruik van sjablonen over managers ergert me. Ik loop echt niet warm voor een begroting, een formatieplan en helemaal niet voor huisvestingsproblemen. Maar iemand moet de school leiden. En het onderwijs wordt er echt niet beter van als het gebouw niet wordt onderhouden of de leiding nooit meer doet dan brandjes blussen.”

Het komt ook niet vanzelf goed met het onderwijs als je leraren maar autonoom hun gang laat gaan zoals je nu vaak hoort zeggen, vindt Elkerbout. “Ook leraren hebben professionele feedback nodig. Maar die krijgen ze niet van collega’s. Het grootste taboe is dat je tegen een collega zegt ‘joh gaat het wel met jou in die les?’ Dat móet je structureren.”

Leraren klagen veel, geeft hij aarzelend toe. Maar: lang niet iedereen doet dat. “En dat de werkdruk te hoog is, weten we al van een onderzoek in 1982. Je bent een ouwe zeur als je het er weer over hebt, maar er is nooit iets aan gedaan. Het zou helpen als het een keer zo geregeld is dat je kan zeggen: kom op, je hebt een goed salaris, een fijne werkplek, je hoeft je niet uit de naad te werken. Nu ophouden met zeuren, aan het werk.”