Souffleur en provocateur

Het spel van economie en recht was Ad Geelhoed op het lijf geschreven, zeker als het werd gespeeld op het bord van de Europese integratie.

Ad Geelhoed (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) Mentzel, Vincent

Met graagte en toewijding droeg hij twee petten en het liefst tegelijk: de ene van onvervalste sociaal-democratische snit, de andere een specimen van neoliberalisme. En geamuseerd sloeg hij dan gade welke verwarring hij daarmee kon stichten onder zijn gehoor.

Ad Geelhoed, de gisteren op 64-jarige leeftijd overleden voormalige topambtenaar en oud-advocaat-generaal bij het Europees Hof van Justitie, was niet voor een gat te vangen, noch als jurist, noch als ambtenaar, noch als partijganger – om de drie passies te noemen waarop zijn loopbaan is geplaveid.

Leendert Adrie Geelhoed, geboren in Vught in 1942, leerde al vrij snel na zijn juridische opleiding (Europees en economisch recht in Utrecht) de praktische kneepjes als referendaris aan het Europees Hof van Justitie in Luxemburg en als naaste medewerker van de Nederlandse rechter A.M. Donner, de vader van de huidige minister.

Terug in Nederland (1975) stond Geelhoed op Justitie minister Van Agt terzijde in een reeks netelige kwesties: de Molukse gijzelingsacties, de Lockheed-affaire met prins Bernhard in een virtuele hoofdrol en de Weinreb-affaire.

Voordat hij in 1990 aan de slag ging als secretaris-generaal op Economische Zaken was Geelhoed nog zeven jaar verbonden aan de WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Provoceren, maar met mate – het zat Geelhoed in de genen. Dat hij Nederland „institutionele aderverkalking” aanwreef was niet zo opzienbarend in een periode waarin zijn poldermodel en overlegeconomie onder druk stonden. Maar dat hij in die dagen, toen iedereen de mond vol had van ‘meer markt en minder staat’ juist pleitte voor een „sterke overheid” maakte meer indruk.

„De wereld verandert en Nederland moet daarop inspelen met méér dan alleen hier en daar een klein aanpassinkje. Dat vergt een andere rol van de overheid, maar niet een terugtredende. Eerder is een sterkere rol voor de overheid weggelegd”, aldus Geelhoed in de traditionele nieuwjaarsbijdrage van de hoogste ‘economische’ ambtenaar van in het tijdschrift ESB (1996). Want marktwerking moet je afdwingen, met een slappe overheid schiet dat niet op.

Premier Wim Kok haalde zijn partijgenoot in 1997 als secretaris-generaal naar Algemene Zaken. Daar beleefde Geelhoed de hoogtijdagen van Paars I en zat hij er (in maart 1999) met zijn neus bovenop toen zijn hoogste baas geen beslissing kon nemen over de vraag of hij nu wel of niet het voorzitterschap van de Europese Commissie ambieerde en deze vervolgens de hoofdprijs verrassende naar een outsider, de Italiaan Romano Prodi, zag gaan.

Geelhoeds hartstocht voor Europa leed er niet onder. En toen zich een jaar later de kans voordeed terug te keren naar Luxemburg – „Terug naar de plek van de eerste zonde”, zoals hij zei – hoefde hij geen moment na te denken. „De mooiste baan voor een jurist. Ik was een geluksvogel.”

Aan het Hof vestigde Geelhoed de aandacht op zich met een reeks spraakmakende adviezen aan de hoogste rechters binnen de Europese Unie. Ze droegen er onder andere toe bij dat binnengrenzen voor medische dienstverlening, studiebeurzen en andere sociale arrangementen werden geslecht.

Natuurlijk bleef Geelhoed op gezette tijden zijn thuisland de les lezen. Zeker toen daar ook nog eens de Europese Grondwet op de klippen liep. Door politiek mismanagement, was zijn stellige overtuiging. „De burgers zijn compleet verwaarloosd door de nationale politieke elites”, zei hij vorig najaar bij zijn vertrek uit Luxemburg. En hij besefte drommels goed dat die constatering ook terugsloeg op de man die decennialang een van hun meest kritische souffleurs was.