Roken: kans voor het gelijkheidsbeginsel

Redacteur NRC Handelsblad

Wie klaagt dat Nederland bijna een jaar niet wordt bestuurd – kabinetscrisis, verkiezingen, formatie en nu weer honderd dagen ministeriële ontdekkingsreisjes – ziet een parel van het Nederlandse model over het hoofd. Dit land komt het best tot zijn recht als het zichzelf bestuurt. Het mooie voorbeeld van deze week: het aanbod van Koninklijke Horeca Nederland.

Verplicht meeroken in cafés en restaurants verdween een centimeter verder achter de horizon toen de vakbond van ondernemers in de eet- en drinkindustrie bij minister Klink kwam met een aanbod. Onder de vorige minister mocht de horeca werken aan een stappenplan voor het bestrijden van rookoverlast (vooral voor het personeel). Dat schoot niet op onder VVD’er Hoogervorst, maar de nieuwe minister sloeg snel een paaltje in de grond: 1 januari 2008 moet het uit zijn. Helemaal.

Kennelijk heeft dat geholpen. De grote restaurateurs en hoteliers willen van het gedoe af, duidelijke regels zijn praktischer dan eindeloos debat. Dat standpunt stelde de bond in staat een algeheel verbod per Nieuwjaar te aanvaarden. Met één uitzondering: de ‘natte horeca’ krijgt tot 2011 om de laatste rokers naar de uitgang te begeleiden. Cafés en discotheken zijn bang dat hun omzet in elkaar klapt als het te snel gaat.

De tot minister gepromoveerde CDA-partijfilosoof Klink noemde het ‘een stap in de goede richting’. Het was een opsteker voor zijn ferme opstelling. Hij beloofde rekening te houden met de argumenten van de bezwaarden en volgende maand met een beslissing te komen. Als bedachtzaam man heeft hij nog een hele afweging te maken. Het zou goed zijn voor het aanzien van de overheid als hij dat beredeneerd doet.

Weinig beslissingen raken zo direct aan het gevoel van vrijheid van miljoenen Nederlanders. Rokers, die al niet meer op het werk kunnen opsteken, zien zich verder verbannen. Zelfs als zij sigarettenlucht van een ander bij hun eigen tournedos kunnen missen voelen zij zich met een rookverbod aan de ketting gelegd. Voor niet-rokers voelt iedere openbare sigaret als een betasting, een personeelsavondje in een café dat blauw staat van de rook als een lichte vorm van verkrachting.

Tussen die twee ervaringskanten van de zaak is geen compromis mogelijk. Het is een kwestie van collectieve normen en waarden. In de Verenigde Staten, waar individuele vrijheid veel hoger staat aangeschreven dan in Nederland, waar iedereen zijn huiskamer bijna trots tentoonstelt, is de fatsoensbalans gekanteld. Zonder zware controle op de naleving van plaatselijke rookbeperkingen is het in Amerika not done geworden om bij anderen thuis, op kantoor of in eet- en drinkerijen te roken. Zo simpel en ingrijpend is dat.

Het is vrijwel overal in de VS in de loop van een jaar of twintig vies gedrag geworden, erger dan boeren, winden laten of spugen op de grond. Fascinerend dat in het land waar de wereldwijde marketing van tabaksverslaving wordt georkestreerd, het gebruik vrijwillig aan strakke banden is gelegd. Terwijl in datzelfde moralistische, vrijheidslievende land het bezit van vuurwapens niet in te tomen lijkt. Zie de legaal verkregen vuurwapens van de Virgina Tech-moordenaar.

Zou Nederland, gidsland bij het uitzetten van een vrij uniek gebruikspad voor marihuana, door die uitzonderingspositie zo’n vreedzame rooknormomslag niet kunnen bereiken? Willem Breedveld merkte onlangs in Trouw op dat „de tabaksroker in de hiërarchie van fatsoenlijk burgerschap een treetje lager staat dan de drugsverslaafde”. De Tweede Kamer was namelijk verstoord dat minister Klink ook het roken in coffeeshops aan banden wilde leggen. Over de schadelijkheid van tabaksgebruik en hasjgebruik zijn verschillende redeneringen te ontwikkelen. Maar zijn die verschillen zo groot dat wat voor het eerste geldt voor het tweede kan worden weggewuifd?

Er is nog een ander argument dat uiteindelijk een extra duwtje in de richting van publieke rookbeperking rechtvaardigt. Zoals de Nobelprijswinnende econoom Amartya Sen in de Financial Times (12 februari 2007) schreef dat libertaire argumenten om mensen niet te beletten zichzelf en anderen grote schade toe te brengen té ingrijpende consequenties hebben. Met Stuart Mill bij de hand zegt Sen: „Het is geen vrijheid om de ruimte te krijgen je eigen vrijheid [om later op te houden met roken] op te geven.”

De erkenning van Horeca Nederland dat het er op den duur van moet komen betekent dat de rookdiscussie voorbij het stadium raakt van wel of niet schadelijkheid. En bijna voorbij de vraag of drastische maatregelen gerechtvaardigd zijn. Dat is voor Nederland een gigantische ontwikkeling. Zomaar een duidelijke keuze. Nu de realisatie nog. Hopen dat niemand gaat narekenen hoeveel accijnsderving dat kan opleveren. Helaas valt die winst in Amerika tegen.

De rokers van Nederland intussen hebben geen duidelijke vakbond. Op verschillende webforums en in ingezonden krantenbrieven roeren zij zich wel, maar het schaamtepunt nadert zo te zien. De laatste weerstand zit nu, behalve bij dancings en hijscafés, bij eigenaren van cafetaria’s en cafés met een keukentje. Een eetplaats die zich ‘nat’ noemt en een uitdijend assortiment tosti’s verkoopt, krijgt drie jaar uitstel.

De voorgestelde regeling laat ruimte voor interpretaties en gesjoemel. „Straks gaan klanten bij een eetcafé frites eten, omdat ze daar mogen roken. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Gelijke monniken, gelijke kappen”, is de filosofische constatering van Maarten Colijn deze week in de SnackKoerier. Hij is voorzitter van de sector Fastfood en IJsbedrijven binnen Horeca Nederland.

Als je ziet dat Ierland, Noorwegen, Zweden en binnenkort Denemarken ons zijn voorgegaan, en zelfs ‘gezellige’ landen als Frankrijk, Italië en Spanje ons achter zich laten, dan is geen heldenmoed vereist om de volgende stap te zetten. Onrechtvaardig hoeft dat niet te zijn. Iedereen mag thuis, in de rokersclub en op de stoep zijn gewoonte koesteren.

Complete gelijkheid tussen roker en niet-roker is niet haalbaar. Maar tussen de ene en de andere horeca-uitbater wel. Eigenlijk geboden. De minister heeft zo veel binnengehaald. Van mij mag hij de grote dag 1 januari 2008 een half jaar opschuiven, en dan voor iedereen een streep eronder. Anders gaan we verklappen dat in tabaksrook, behalve arsenicum, cyanide en nicotine ook radioactief polonium 210 zit, meer dan ex-spion Litvinenko met zijn fatale Londense sushi naar binnen kreeg.

opklaringen@nrc.nl