Reg Butlers pin-ups zijn dierlijk en grotesk

Tentoonstelling: Reg Butler ‘Decent Sculpture’. T/m 17 juni in museum Beelden aan Zee, Scheveningen. Di-zo 11-17u. Inl.: 070 3585857.

De kunst van de jaren vijftig werd internationaal gedomineerd door schilders – Karel Appel, Jackson Pollock, Mark Rothko. Maar niet in Groot-Brittannië. Daar ontwikkelde een clubje beeldhouwers een abstracte vormentaal die kunstgeschiedenis zou schrijven. Henry Moore, Ben Nicholson en Barbara Hepworth hielden zich bezig met lijnen, glooiingen, en vooral met vorm versus leegte.

Hun artistiek onderzoek klonk als dat van de constructivisten die voor de oorlog met mathematisch-technische vooruitgangskunst aan een betere wereld werkten, maar de angel van de avant-garde van toen was hen vreemd. De Britten gingen voor schoonheid, rust en harmonie.

Ook het werk van Reg Butler (1913-1981) past, vreemd genoeg, in die Engelse traditie. Vreemd, omdat hij tegenwoordig bekend is om zijn hyperrealistische beelden van wulpse pin-ups.

In zijn jonge jaren, omstreeks 1950, laste Butler ijzeren stangen aaneen tot ze de vorm aannamen van liggende vrouwen. Vervolgens voerde hij ze uit in brons en gaf ze, waar nodig, net wat meer sensuele verdikkingen. Het zouden zijn beste beelden blijven, die schorpioenvrouwen van harde industriële vormen. Maar naar Butlers smaak waren ze te kil.

Al begin jaren vijftig namen dikkere, ronde bronzen volumes zijn werk over, en werd het metalen staketsel van weleer een kooi of koord waar de lichaamsvormen zich aan vasthielden. Het zijn meer Moores vrouwfiguren dan Hepworths abstracties die de jonge Butler moeten hebben geïnspireerd. Maar waar Moores abstracte vrouwen oergodinnen leken, was Butlers ideale vrouw eerder een danseres, die met gespitste voetjes en gestrekte armen balanceert in de ruimte.

Museum Beelden aan Zee, dat een kleine tentoonstelling van Butlers werk laat zien, lijkt een voorkeur te hebben voor het late, hyperrealistische werk van eind jaren zeventig. Niet alleen domineren deze huidkleurig beschilderde pin-ups het publiciteitsmateriaal, ook hebben ze de mooiste zaal in het museum gekregen.

De voorovergebogen dame van het affiche troont voornaam op een hoge sokkel in een altaarvormige nis. Om haar heen liggen haar soortgenoten op kussens of onder glazen stolpen waar ze hun gladde ledematen de lucht insteken. Allemaal zijn ze even levensecht, sekspoppen bijna, met beschilderde ogen, echt haar, en sexy rondingen in roze vleestinten.

Een rode draad in Butlers oeuvre is dat hij de vrouwenlijven een strijd laat aangaan met de ruimte. Zijn vroege werk combineert bronzen volumes en stangen die ruimtes zo afbakenden dat leegte onderdeel werd van de sculptuur. Zijn pin-ups trotseren de zwaartekracht door hun billen de lucht in te duwen, hun benen boven zich te spreiden en hun hoofd in hun nek te werpen. Butler maakt deze acrobatiek van alle kanten interessant: de vrouwen roteren om hun as zoals paaldanseressen en barokke beeldengroepen dat zo goed kunnen. Ze spreiden hun tenen zoals maniëristische sculpturen dat vier eeuwen geleden deden.

Zijn late werken zijn sterk door hun eigenheid, maar alleen als hij dat op de spits drijft. Dat lukt hem slechts met de twee grotere pin-ups die in de serrezaal op hun kussens liggen te kronkelen. Ze zijn dierlijk verleidelijk én griezelig grotesk. Als verveelde peepshowdanseressen staren ze met hun lege ogen en strakke grimassen dwars door je heen – ze hadden liever een kantoorbaan of een rijke vent gehad maar het leven liep anders. Dit zijn sterke beelden.

De andere zijn weinig meer dan behaagzieke meisjes die niets interessants te melden hebben.