Oudste fossiele boom is nu eindelijk compleet: hij had geen bladeren

De oudste boomsoort waarvan fossielen zijn gevonden, Wattieza van 385 miljoen jaar oud, had geen bladeren. Dat blijkt uit een nieuwe studie van Amerikaanse onderzoekers waarbij voor het eerst ook de bovenste delen van de oerboom beschreven zijn (Nature, 19 april).

Tot nu toe waren van deze bomen alleen fossiele stronken bekend. Die stronken werden al in 1870 gevonden in een steengroeve nabij het plaatsje Gilboa in de Amerikaanse staat New York. De versteende stronken, die veel weg hebben van olifantspoten, werden geïnterpreteerd als de resten van ‘het oudste bos op aarde’. Maar niemand wist hoe de bomen er verder uitzagen.

Van een iets jongere oerboom Archaeopteris uit het late Devoon, 385 tot 359 miljoen jaar geleden, waren dat soort details wel bekend, en daarom figureert deze in veel leerboeken als het prototype van de oerboom. Deze Archaeopteris had bladeren, stevige en langlevende zijtakken, een goed ontwikkeld wortelstelsel en kon tot veertig meter hoog worden.

De bomen in het Gilboabos waren echter veel primitiever, zo blijkt nu. Ze leken op moderne boomvarens of palmen, met een kroon van zijtakken op een kale stam. Naarmate de boom groeide vielen oude zijtakken af terwijl in het midden van de kroon aan het uiteinde van de stam nieuwe loten tevoorschijn kwamen. Het opvallende verschil met de moderne boomvarens en palmen is echter dat Wattieza geen bladeren had maar slechts steeds fijner wordende takken.

De boom vertakte zich aan de top eerst waaiervormig. In plaats van bladeren droeg de boom aan de uiteinden van de takken driedimensionale pluimen van zeer fijne takjes. Hierin moet het bladgroen hebben gezeten. Pas later evolueerden bomen bladeren die door hun afgeplatte vorm veel efficiënter zonlicht konden invangen.

De onderzoekers groeven in juli 2004 een vrijwel intacte kroon op van Wattieza in een zandsteengroeve op 16 kilometer van de plaats waar de stronken in de negentiende eeuw werden gevonden. Het jaar daarop vonden zij een gave stam, inclusief de verkoolde strengen die de primitieve wortels van de boom moeten zijn geweest. Beide fossielen samen geven een heel compleet beeld van hoe Wattieza eruit gezien moet hebben.

De boom kon uitgroeien tot een lengte zes meter. Hij plantte zich voort door middel van sporen die door de wind verspreid werden. Veel te duchten van grote herbivoren had de boom niet: in het Midden-Devoon bestond het dierenleven op het vasteland voornamelijk uit kleine geleedpotigen. De tijd van de grote grazende dinosauriërs was toen nog ver weg. De plant was zo succesvol dat hij waarschijnlijk wereldwijd op het land groeide.

Wattieza behoorde tot de zogeheten Pseudosporachnales, een uitgestorven plantengroep en nog primitiever dan de varens. De modernere Archaeopteris behoort eveneens tot een uitgestorven groep, de zogeheten Progymnospermen, maar is nauwer verwant aan de moderne zaadplanten.

Sander Voormolen