Op zoek naar Kurt Schwitters’ schuur in het Lake District

In Rotterdam is een Kurt Schwitters expositie te zien; Doris Grootenboer zoekt in het Britse Lake District naar sporen van de kunstenaar

Het Engelse Lake District is een van de mooiste, overweldigendste landschappen van Europa. De Langdale Pykes zijn de hoogste van het land. Met cultuur wordt het gebied niet direct in verband gebracht, al hebben de 19de-eeuwse romantische dichters als Southey, Coleridge en vooral William Wordsworth, die er bijna levenslang woonde en er zijn onvergetelijke The daffodils creeërde – „I wandered lonesome as a cloud...” – er wel hun stempel op gedrukt. Maar dat de uitzinnige dadaïst, de Duitse Kurt Schwitters (1887-1848) er woonde, werkte en stierf, dat wist ik niet. Ik werd op het spoor gezet door een artikel van een journaliste, die Schwitters Engelse tijd in kaart gebracht had en zo besloot ik een paar dagen te gaan lopen in the Lakes met als cultureel nevendoel het vinden van Schwitters Merzbarn, die daar, in vervallen staat weliswaar, in een bos nog te vinden zou zijn.

De term Merzen was een noviteit van Schwitters. Ooit vond hij een afgescheurde snipper met het woord ‘merz’ op straat, het was een onderdeel van het woord Commerzbank en zo werd ‘merzen’ een begrip, en een ware rage. Een Merztekening was een collage van tramkaartjes, wc-papier, touwtjes en anderszins, Merzbeelden waren uit hout en spijkers vervaardigd. Er kwam een Mersztijdschrift en er werden Merzmatinees gegeven, tijdens welke de dadaïst onsamenhangende klanken uitstootte en vrolijk tekeerging.

nieuwe liefde, nieuw huis

Schwitters huis in Hannover was één grote Merzbau tot op het dak aan toe. In 1940 vertrok hij naar Londen; in ’45 – zijn huis was gebombardeerd, zijn vrouw dood – ging hij in de Lakes, in Ambleside wonen met zijn nieuwe geliefde Emma Thomas. En scheppen aan een nieuwe Merzbau, in genoemde schuur op het terrein, the Cylinders, een uitgestrekt hellingbos. Keihard werkte hij, ondanks zijn longbloeding, maar toch, drie jaar later stierf Schwitters. Hij werd in Ambleside begraven, maar dat mocht alleen in een ordentelijk graf, daar mocht geen excentriek Merzbeeld op komen, zoals hij wou. Een paar jaar later haalde zijn zoon Ernst de stoffelijke resten weg en werd zijn vader in Hannover herbegraven. De Engelsen onderhouden het lege graf overigens nog steeds. Een deel van de Merzbarn werd in 1965 naar de stad Newcastle gebracht.

Ik boek aan het dromerige, niet toeristische Elterwater een hotel en ga op onderzoek uit. Het terrein van de Cylinders is omgeven door een hoog hek, de ingang is op slot. Navraag in het chique ertegenover gelegen Langdale Hotel leidt tot niets. De receptioniste kijkt me glazig aan: „Schwitters? Never heard of”, en ook de manager staart ongelovig. Een schuur van een beroemde kunstenaar? Hier? Ik ga maar weer. Het hek is te hoog om overheen te klimmen, dus rijd ik naar Ambleside in de hoop in het Armitt Museum ene Reginald Harper te treffen, een gepensioneerde vrijwilliger, die daar werkt en die meer van de Merzbarn zou weten, volgens het meegenomen artikel.

Hij geeft me een kaartje met het adres van Dr. Acheson, woonachtig op en eignaar van het terrein waarop de Merzbarn staat. Bij hem moet ik me vervoegen.

Als ik hem, na een ferme wandeling naar Loughrigg Terrace, thuistref, doet een allervriendelijkste man open. Zijn vrouw begint meteen te snauwen: hoe haal ik het in mijn hoofd hen te storen tijdens etenstijd, het is hier geen openbare ruimte, hoe kom ik aan hun adres?

vriendelijke britten

Als de naam Harper valt, krijgen hij en zijn museum de volle laag. Alleen mister Pierce, in Londen, kan toestemming geven de schuur te bezoeken, op aanvraag, weken van te voren. Pierce blijkt de vroegere eigenaar van het huis en de Cylinders, maar hij is nog steeds de wettelijk bezitter van de Merzbarn.

Dr. Acheson begint me nog vriendelijk uit te leggen dat, als ik links de weg opwaarts volg en ik na zo’n vijftig yards een soort voetpad zie, ik over een muur moet klimmen, het pad moet volgen en de linkervork aanhouden. Opeens verzacht zijn echtgenote: „Ach, dat kan ze zo toch helemaal niet vinden, wat een onzin, ik loop wel mee door de tuin. Even de sleutel halen.”

En zo loop ik opeens met haar in de schemer door de bloemrijke, kletsnatte tuin naar een hek, dat ze met een enorme sleutel opent. Ik moet beloven, bij terugkeer af te sluiten en de sleutel te retourneren. „You’re so kind”, mompel ik. Ik worstel me door bos en varens en ontwaar uiteindelijk een buitengewoon armzalige schuur, waar natuurlijk niks aan is, maar ja, Dada, Schwitters, Merzen! Het is van buiten en van binnen één grote rotzooi, stukken hout, gebroken ramen, golfplaten, duister kapot gereedschap, verrot papier. Klimop en bosrank dringen naar binnen. Dat is het dan.

Inmiddels weet ik dat de Merzbarn een half jaar geleden is aangekocht door de stichting Littoral Arts, in Lancaster. Er worden fondsen verzameld voor een herconstructie van de schuur. Er komen een Schwitters-fellowship en een Schwitters Summerschool. En vanaf dit jaar oktober, zal er jaarlijks ter plekke een Schwitters-seminar plaatsvinden en is de Merzbarn publiekelijk te bezichtigen.

Kurt Schwitters. Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam, tot 28 mei.Inl. Littoral Arts: 0044-1706827961. Of: www.littoral.org.uk Of: littoral@btopenworld.com.