Omhelzing of wurggreep

China is de nieuwe vriend van Suriname. De Surinaamse bevolking kijkt met wantrouwen toe. „Ze gaan ons bos kaalkappen.”

Diep in de binnenlanden van Suriname, in het gehucht Aitidendu aan de Surinamerivier, speelt een zwart jongetje in korte broek met een houten vliegtuigje. Hij woont in een hut van gevlochten bladeren, hij gaat elke dag met de schoolboot naar school in een dorp op een half uur varen van zijn huis.

Wat heeft een jongen als hij met China te maken, een land dat een halve wereldbol van hem verwijderd ligt? Steeds meer. Het plastic tafelzeiltje op de houten tafel waarvan hij eet komt uit China, net als de blouse die zijn oudere zuster draagt, het plastic bekertje waaruit hij drinkt, de zaklantaarn waarmee hij ’s nachts het toilet vindt en de plastic slippers waarop hij rondloopt.

En misschien heeft hij zelfs ook al eens een Chinees gezien. Er wonen er al een paar in Pokigron, de plaats waar iedereen zijn auto, jeep of bus verruilt voor een korjaal om over de rivier de kleine nederzettingen van de boslandcreolen te bereiken. Je kunt in Pokigron bami eten en er is een Chinese winkel die wordt gedreven door een jong Chinees echtpaar dat nog geen jaar in Suriname is.

Daar liggen dezelfde goedkope trainingspakken, blouses, kaplaarzen, regencapes, sportschoenen, batterijen en hoofdpijnpillen die je ook op het Chinese platteland vindt. Het is meteen duidelijk waarom de Chinees meer in trek is dan de zwarte Surinamer aan de overkant van de weg. De Chinees heeft een veel groter aanbod, tegen lage prijzen. De spullen die in China voor weinig koopkrachtige boeren zijn bedoeld, doen het ook goed bij de dorpsbevolking in de binnenlanden van Suriname. Hun zwarte collega-winkeliers moeten het vooral hebben van de verkoop van grote literflessen Surinaams Parbo-bier.

Het Chinese echtpaar staat achter een traliehek dat hun koopwaar en hun kassa beschermt. Ze stralen grote eenzaamheid uit. Met de Surinaamse klanten kunnen zij alleen de allernoodzakelijkste informatie uitwisselen, in een mengelmoes van rudimentair Surinaams en Nederlands. Erg geliefd zijn ze niet, hun klanten zijn kortaf en veeleisend.

Hoe ze zo diep in de binnenlanden van Suriname zijn terechtgekomen? „Ik merkte dat het niet makkelijk was om in Paramaribo nog wat te verdienen, want daar zitten al veel te veel Chinese winkels”, vertelt hij.

Juist minder ontwikkelde landen als Suriname zijn aantrekkelijk als afzetmarkt voor goedkope Chinese consumentenartikelen. Het jonge echtpaar in Pokigron is naar Suriname gekomen omdat ze hier de goedkope producten hopen te verkopen waaraan in China door overproductie nauwelijks nog wat te verdienen is. Dit dwingt niet alleen kleine ondernemers als het echtpaar in Pokigron, maar ook grote bedrijven als de Chinese computermaker Lenovo over de grens. Een paar jaar terug kocht dat bedrijf de pc-divisie van IBM op, om zo snelle toegang te krijgen tot buitenlandse markten en daar winstmarges te halen die in China ondenkbaar zijn.

Suriname staat niet bovenaan het lijstje van landen waarin Chinese zakenmensen graag willen investeren. Aan het begin van een bezoek aan Suriname zit ik in het vliegtuig naast een jonge Chinese ondernemer die met tegenzin aan de reis is begonnen. Hij heeft het thuis, in Oost-China, veel te druk met zijn schoenenfabrieken en hij heeft er weinig geloof in dat Suriname zakelijk aantrekkelijk voor hem kan zijn. Maar zijn oom heeft hem al herhaaldelijk uitgenodigd om eens in Suriname te komen kijken.

Als de blauwe oceaan plaatsmaakt voor het dichte, groene regenwoud van Suriname, zinkt de moed mijn buurman in de schoenen. Zoveel groen en zo weinig inwoners, zo weinig wegen ook. Dat betekent dat hij er nooit voldoende klanten zal vinden om een schoenenfabriek te rechtvaardigen. Brazilië lijkt hem wat dat betreft interessanter, zeker als hij hoort dat veel Surinamers elke dag op plastic slippertjes lopen, en hoogstens één paar zondagse schoenen in de kast hebben staan.

Suriname trekt steeds meer Chinezen, ook omdat het in de praktijk veel makkelijker is om een visum en een werkvergunning voor Suriname te krijgen dan voor landen in Europa en Amerika. Op vluchten van Amsterdam naar Paramaribo was ik altijd in gezelschap van groepen Chinezen, afkomstig uit kleinere Chinese steden of van het platteland.

Suriname kent een lange traditie van Chinese migratie. De groepen Chinezen die sinds de tweede helft van de negentiende eeuw naar Suriname kwamen, zijn over het algemeen goed geïntegreerd. Het zijn gerespecteerde leden van de maatschappij geworden. Vanaf de tweede helft van de jaren negentig is er sprake van een nieuwe immigratiegolf uit de Volksrepubliek China, die zijn hoogtepunt nog niet lijkt te hebben bereikt. Het aantal ‘nieuwe’ Chinezen wordt geschat op zeker 30.000 mensen. Dat is veel voor een land met nog geen half miljoen inwoners. In 1997 ging het nog maar om zo'n zesduizend 'nieuwe' Chinezen.

De meeste Surinamers wantrouwen de Chinezen. Ze zouden veel sneller dan anderen aan verblijf- en werkvergunningen en aan rijbewijzen komen. Ook zouden ze de winkels en de banen afpikken van Surinamers en met hun goedkope, kwalitatief slechte producten de lokale producenten uit de markt drukken. Ze zouden weinig binding hebben met Suriname, en het land alleen maar gebruiken voor eigen gewin. De Surinaamse ambassadeur in China, Roy Wong Lun Hing die er sinds 2002 is gestationeerd, vertelde tijdens een gesprek begin 2007 op de Surinaamse ambassade in Peking dat het Surinaamse visumbeleid de laatste tijd is aangescherpt, omdat een te grote invloed van Chinezen tot spanningen zou kunnen leiden.

Maar de Surinaamse overheid zegt dat Suriname baat heeft bij de Chinese immigratie. Chinezen huren of kopen winkels en bedrijven van Hindoestaanse eigenaren, die daardoor de handen vrij krijgen om te investeren in andere sectoren van de economie. Daardoor wordt de ontwikkeling van Suriname bevorderd.

Omgekeerd heeft China ook veel belangstelling voor Suriname. Het is vooral geïnteresseerd in grondstoffen als tropisch hardhout, goud, kaolin-aarde en olie. Daarnaast zijn Chinese vissers actief in de Surinaamse territoriale wateren. China is bezig met het opzetten van een grote palmolieplantage en het asfalteert wegen in Suriname. En het heeft Suriname het ministerie van Buitenlandse Zaken geschonken, het meest in het oog springende gebouw van Paramaribo. De bouw door Chinese arbeidskrachten verliep snel, maar niet helemaal goed: de elektrische installatie bleek gevaarlijk, en moest eerst worden vernieuwd voordat president Venetiaan het gebouw samen met de Chinese ambassadeur in 2006 officieel kon openen.

Ontwikkelingshulp in de vorm van een nieuw ministerie is niet het soort hulp dat Nederland snel zou geven. Nederland heeft weliswaar geld beschikbaar voor de verbetering van de kwaliteit van het openbaar bestuur, maar zou dat veel eerder besteden aan scholing van ambtenaren dan aan de bouw van een overheidsgebouw. Nederland stelt ook een eindeloze reeks voorwaarden waaraan projecten moeten voldoen. Dat maakt de besteding van het Nederlandse ontwikkelingsgeld traag en moeizaam.

Ambassadeur Wong Lun Hing vertelt hoe de Chinese ontwikkelingssamenwerking met Suriname in elkaar steekt. „China en Suriname vergaderen regelmatig over een lijst van mogelijke samenwerkingsprojecten. Dat zijn projecten die Suriname in principe inbrengt. Daarbij gaat China écht in op de wensen en behoeften die er aan de Surinaamse kant leven. China geeft van zijn kant aan dat het vooral belangstelling heeft voor grotere samenwerkingsprojecten.” Vervolgens sturen de Chinezen experts om de haalbaarheid van de projecten te bepalen, ook op financieel vlak. Als China de projecten uiteindelijk accepteert, komt het Chinese ministerie van Handel met een voorstel voor Chinese staatsbedrijven die de projecten kunnen uitvoeren. De financiering verloopt via de Chinese Export-Importbank, de Exim-bank, en bestaat deels uit Chinese giften, deels uit zachte leningen met een rentepercentage van 1 à 2 procent.

De Exim-bank is inmiddels uitgegroeid tot de derde verstrekker van exportkrediet ter wereld. Het kredietbeleid van de bank is internationaal omstreden. Paul Wolfowitz, hoofd van de Wereldbank, uitte in oktober 2006 felle kritiek op de grote Chinese banken omdat ze zich niets gelegen laten liggen aan de zogeheten Equator-principes. Dit is een vrijwillige gedragscode die bepaalt dat aan de financiering van projecten eisen worden gesteld op het gebied van milieu en mensenrechten. De gedragscode stamt uit 2003, en is overgenomen door zo'n tachtig procent van alle banken.

Nu kun je denken dat China een beetje traag is in het ondertekenen van dergelijke richtlijnen, omdat het er nog niet zo bekend mee is en aan zijn nieuwe internationale rol moeten wennen. Maar deze opvatting komt voort uit een gebrekkig begrip van de Chinese principes voor internationale contacten. Die zijn wezenlijk anders dan die van het Westen. De ideologie van het Westen bij zijn bemoeienis met ontwikkelingslanden komt vooral voort uit het christendom: in Zuid-Amerika wonen ‘medemensen’ die we van hun armoede en machteloosheid moeten bevrijden. Het Westen weet ook hoe het beter kan, en wil niet alleen hulp geven, maar ook partners in ontwikkelingslanden ‘leren’ hoe ze hun bevolking het beste kunnen verheffen. Daarom stelt het vast aan welke mensenrechteneisen de projecten moeten voldoen.

Een dergelijke houding is China wezensvreemd. China wijst het opleggen van normen aan andere landen principieel af. China vindt dat elk land het recht én de plicht heeft om zelf te bepalen wat goed is voor dat land. Als een land zaken wil doen met China en China wil ook met dat land in zee, dan kunnen beide partners gaan onderhandelen over de voorwaarden voor die samenwerking. Naarmate de internationale macht van China toeneemt, zal Peking zich steeds minder conformeren aan de huidige internationale normen.

De houding van China valt goed bij de Surinaamse overheid. De relatie tussen Nederland en Suriname is al sinds jaar en dag moeizaam, mede doordat Suriname in de eisen die worden gesteld aan het toekennen van ontwikkelingsgelden een voortzetting ziet van de bevoogdende Nederlandse houding die stamt uit de tijd dat Suriname nog een kolonie was. De verhouding tussen China en Suriname is aanzienlijk beter. „China blijft meer op de achtergrond”, zegt Roy Wong Lun Hing, de Surinaamse ambassadeur in China. „China toont respect en behandelt ons meer als gelijke. Je krijgt hulp met no strings attached.”

China is ook om politieke redenen geïnteresseerd in Suriname. Suriname is een belangrijk lid van een groep van veertien Caraïbische landen in de regio die zich hebben verenigd in de CARICOM, een gemeenschappelijk handelsblok. Daarin zitten vier landen die Taiwan erkennen boven China. China zou graag zien dat die landen Peking erkennen en Taiwan laten vallen. Alle druk die Suriname daarbij kan uitoefenen, is welkom.

Suriname krijgt naast giften ook zachte leningen. De kans dat Suriname daardoor later in betalingsproblemen komt lijkt nu nog klein, vooral omdat China zeer coulant omgaat met de aflossingen van de leningen. Maar het geeft China wel een drukmiddel in handen. Voor Suriname wordt het financieel steeds moeilijker om ooit nog terug te komen op de beslissing om China boven Taiwan te erkennen, omdat waarschijnlijk per direct zal terugeisen.

De scheiding tussen door China gefinancierde overheidsprojecten en particuliere projecten is vaak onduidelijk. China heeft er een handje van om leningen en giften aan te bieden in een groter pakket van afspraken, met daarin ook samenwerkingsprojecten tussen overheden en investeringen van particuliere bedrijven. Neem de werkzaamheden van de Chinese Dalian Group. Die voert sinds maart 2004 asfalteringswerkzaamheden uit, 275 kilometer aan wegen in en rondom Paramaribo. Het bedrijf is al sinds 1999 actief in Suriname. Het werk wordt goeddeels uitgevoerd door Chinese arbeiders die tijdelijk in Suriname verblijven. De Dalian Group is een staatsonderneming, de wegenaanleg wordt deels gefinancierd met een zachte Chinese lening met een rente van 1 à 2 procent en deels uit Chinese schenkingen.

Dit is precies het soort projecten waar de meer traditionele hulpverleners uit Europa en Amerika bezwaar tegen maken. Doordat Chinezen geen gebruik maakt van plaatselijke arbeidskrachten, leveren ze geen werkgelegenheid in Suriname en leren de Surinamers er ook niks van. In een plaatselijke krant werden de Chinese contractarbeiders omschreven als een soort marsmannetjes. Ze komen om zo snel mogelijk de taken uit te voeren waarvoor ze zijn ingehuurd, en ze doen dat vaak op een manier die Surinamers tegen de borst stuit. Zo zijn er klachten dat de Chinese wegwerkers met hun zware vrachtwagens bestaande wegen in Suriname kapot rijden.

Dit kan, in combinatie met het anarchisme van sommige Surinaamse weggebruikers, fatale gevolgen hebben. Zo reed een van de graafmachines een vrouw dood die niet achter de omheining was gebleven. Het nieuws kwam groot in de Surinaamse kranten, waarbij het de verslaggevers opviel dat de Chinezen zo ‘koel’ reageerden.

De zakelijke samenwerking met China, waarbij het belang van de overheid van Suriname boven dat van de plaatselijke bevolking lijkt te gaan, kan tot negatieve resultaten leiden. Neem het project voor een palmolieplantage in Patamacca, in het oosten van Suriname. China heeft er toestemming gekregen voor de aanleg en exploitatie van een palmolieplantage, een project dat 45 miljoen dollar gaat kosten. China wil het gebied van 40.000 hectare aan tropisch regenwoud kappen om er later palmen voor terug te planten. Critici zeggen dat het China niet zozeer gaat om de productie van palmolie als wel om het tropisch hardhout van Suriname. Het hout dat wordt gekapt, wordt eigendom van het bedrijf dat de palmolie exploiteert.

Ambassadeur Wong Lun Hing heeft zich in China ingezet voor de plantage. „Die brengt ontwikkeling in de regio. Het is de bedoeling dat er ook fabrieken komen voor zeep en farmaceutische producten. Daar is de plaatselijke bevolking bij gebaat.”

Anders dan bij de eerdere samenwerking met Dalian probeert Suriname bij dit project wel beperkingen te stellen aan het aantal Chinese arbeiders dat in Patamacca ingezet mag worden. De ambassadeur vertelt dat dit moeizaam gaat. „Geld en investeringen kun je relatief makkelijk krijgen, maar bij het aantal Chinese arbeidskrachten houden ze hun poot veel meer stijf.” China beweert dat het alleen met eigen personeel de beloofde kwaliteit kan garanderen.

De plaatselijke bevolking van indianen en boslandcreolen is niet gelukkig met de komst van de Chinezen in Patamacca. Die ging in april 2006 de straat op wegens de toewijzing van de concessie aan China. Die is volgens haar in strijd met een eerdere belofte van Suriname om de grond niet aan derden toe te wijzen voordat duidelijk is aan welke inheemse groepen de grond eigenlijk toebehoort.

De bevolking is niet alleen bang dat de massale kap grote ecologische problemen oplevert, maar ze is ook bang voor de Chinese arbeidskrachten. „Ze gaan ons bos kaal kappen en er komt een niet te controleren invasie van Chinezen die voor lage lonen gaan werken zodat wij geen werk hebben”, zo meldde de Surinaamse krant De Ware Tijd in april 2006.

Het is nog te vroeg om te zeggen wat de nauwere banden met China Suriname op den duur zullen opleveren. Duidelijk is wel dat de regering vooral blij is met deze nieuwe partner, die een nieuwe vorm van ontwikkelingshulp mogelijk maakt. De bevolking kijkt met argusogen toe.

Garrie van Pinxteren was tot 2006 correspondent voor NRC Handelsblad in China. Dit is een voorpublicatie uit haar boek ‘China, centrum van de wereld’ dat vanaf volgende week in de boekwinkels ligt. Het boek verschijnt bij Uitgeverij Balans en kost 16,95 euro.