Niet leuk meer

De papavervelden gaan eraan. Het lijkt een onbelangrijke mededeling, die bij de deadline van dit stukje niet eens alle kranten had gehaald. Maar ik voorspel u: dit zal alles veranderen. Ik heb het uiteraard over Uruzgan, waar onze jongens en meisjes met bloemen in het haar de plaatselijke bevolking bij de hand nemen om fijn samen weg te dansen van die nare Taliban.

Dat is heel mooi (afgezien van het feit dat het volkomen belachelijk is dat we er überhaupt zitten). Het Britse Empire kreeg de Afghanen er niet onder in de negentiende eeuw, de Russen kregen de Afghanen er niet onder in de jaren tachtig en, met alle respect, deze legers waren toch een ietsie pietsie meer hardcore dan onze eigen jongens en meisjes van Jan de Witt. Het is daarom een uitstekende zaak dat de Nederlanders aan ‘opbouw’ proberen te doen, in plaats van de Taliban te bevechten. Ze zien ons al komen!

De Nederlandse aanpak, een klassiek voorbeeld van counterinsurgency, leidt desondanks tot voortdurende verbazing bij de ISAF-partners, die ons te soft vinden, en bij de Afghanen zelf. Zo liet de New York Times afgelopen zondag in een reportage over Nederlanders een tolk aan het woord die anoniem wenste te blijven: ‘De Nederlanders rennen naar hun voertuigen als het vechten begint, iedere keer weer. Ze zeggen: „We kwamen voor vrede, niet om te vechten.” En ik zeg: „Als je niet vecht, krijg je geen vrede in Afghanistan.”’ Nu is dat misschien het geval maar, nogmaals, dat vechten kunnen we beter overlaten aan de bondgenoten – ondanks de bezweringen van generaal-majoor Ton van Loon, vorig jaar, dat wij „net zo goed kunnen vechten als ieder ander”. Misschien kunnen we dat inderdaad, we doen het alleen niet. (Trouwens ooit een Britse, Canadese, Amerikaanse of Franse generaal horen verkondigen dat zijn soldaten „net zo goed kunnen vechten als ieder ander”?)

Hoe goed wij wel niet kunnen vechten, blijkt onder andere uit de uitspraken van Gwenda, lid van het Provinciaal Reconstructie Team en een van de militairen in het KRO-docudrama ‘Uruzgan Kamp Holland’. Ze werd afgelopen zaterdag uitgebreid aan het woord gelaten in de Volkskrant. Over de beschieting van haar patrouille in een dorp: ‘Ik dacht toen even: Dit is het niet waard.’ En over een politieauto die ze zag rijden, met tien lijken van Afghaanse mannen: ‘Toen dachten we: „Als dit zo doorgaat, is het niet leuk meer.”’ Djiezus, het zou eens niet leuk meer zijn in Afghanistan! En je moet ook al continu afdingen: ‘De Afghanen denken dat wij ongelimiteerd geld hebben. Sommigen zijn eigenlijk een beetje verpest. [...] Als je vraagt wat iets kost, zoals een muur bouwen, geven ze altijd een te hoog bedrag op.”’ Dáár was je niet voor afgereisd naar die exotische zonbestemming.

De Nederlandse aanpak heeft in ieder geval geleid tot een zekere mate van vertrouwen en goodwill bij de plaatselijke bevolking, stellen de militairen ter plekke. Maar is dit wel vertrouwen, of eerder het tolereren van een in Afghaanse ogen relatief onschadelijke aanwezigheid? Volgens Rick, een Nederlandse luitenant die wordt geciteerd in de New York Times, worden de troepen getolereerd ‘in de meeste buurten van Tarin Kowt’. Maar in het westen van de stad ‘gooien de mensen stenen en werpen ijzige blikken naar de soldaten, terwijl ze langzaam hun vingers langs de keel halen.’ Tarin Kowt is ‘veilig gebied’.

En, je kon erop wachten, nu gaan dus de opiumvelden in Uruzgan eraan – de enige substantiële bron van inkomsten voor de Afghanen. Dit ondanks de aanbevelingen van minster Van Ardenne, die voor haar vertrek gouverneur Munib op het hart drukte dat de opiumvelden niet vernietigd mochten worden. Maar Munib staat onder druk van president Karzai, die het Amerikaanse beleid van papaververdelging moet uitvoeren in heel Afghanistan. De New York Times verwoordde het Amerikaanse standpunt over Uruzgan zo: ‘De plaatselijke regering blijft zo zwak dat het niet eens een significant programma heeft opgezet tegen de groeiende opiumproductie, die de opstandelingen helpt zich te handhaven.’

What were we thinking? Dat de Amerikanen en Britten onze softe aanpak zouden tolereren, net zoals ons binnenlandse drugs-gedoogbeleid?

Niets zou de Taliban een grotere slag toedienen dan het legaliseren van de opiumhandel – onder andere bruikbaar voor het fabriceren van pijnstillers als codeïne en andere legale opiaten. De Afghaanse economie draait volledig op de papaveropbrengst. Die bron van inkomsten wordt weggenomen door de Amerikanen, zonder dat er iets voor in de plaats komt. En ondanks een investering van honderden miljoenen euro's in het verdelgingsprogramma, produceerde Afghanistan in de afgelopen jaren meer opium dan ooit. In 2001 kregen de Britten de taak toegewezen de opiumteelt in Afghanistan te vernietigen. Voordat zij zich van deze taak gingen kwijten, werd opium verbouwd in 6 van de 32 provincies in Afghanistan. Inmiddels wordt opium geteeld in 28 provincies, met recordopbrengsten. ‘Het was waarschijnlijk het meest succesvolle landbouwbeleid van Groot-Brittannië ooit’, schreef The Guardian vorig jaar sarcastisch.

Hoe onschadelijk zullen de Afghanen de Nederlanders nog vinden wanneer hun velden zijn platgewalst? Wat zal er overblijven van de moeizaam opgebouwde contacten? Waar eerder in Afghanistan oogstverdelgingsacties werden uitgevoerd, volgden vaak nog in dezelfde week geweldsuitbarstingen.

De Nederlandse, klassieke aanpak van counterinsurgency heeft eigenlijk een jaar of tien nodig om een succes te worden. En de Amerikanen dringen erop aan dat we langer blijven dan volgend jaar augustus. Mij benieuwt het of we het nog een jaar uithouden. Leuk zal het niet meer worden.

CORINE VLOET