Kleinkapitalisme aan de voet van de Grote Leider

Componist, muziekcriticus en muziekfilosoof Konrad Boehmer (1943) verbleef een week in Noord-Korea voor het bijwonen van het muziekfestival In Pyongyang. „Terwijl bij mijn vorige bezoek ministers de lof op de Grote Leider zongen, hoor ik nu volledig andere taal.”

Konrad Boehmer

Donderdag 12 april

In Beijing, mijn tussenstop op reis naar Noord-Korea, heeft de China Daily slecht nieuws voor de Geliefde Leider: in Seoel hebben de Chinese en Zuid-Koreaanse minister-presidenten een politiek en cultureel akkoord getekend dat gewag maakt van de vastbeslotenheid om de „problemen van de hele regio in onderling overleg” te regelen. De volgende ochtend een soortgelijke verklaring China-Japan.

Ook George Bush zal er niet vrolijk van worden. Het verklaart wel zijn iets mildere houding tegenover Noord-Korea: beter één vinger in de pap dan een hand tussen een dichtslaande deur. De studente die mij in Beijings Verboden Stad aanklampt om mij daar naar een kleine expositie van kunststudenten uit een of andere provincieacademie te loodsen, kan maar niet begrijpen dat ik geen van haar onsterfelijke meesterwerken wil kopen. Het Chinese woord voor ‘kitsch’ ken ik niet en zij is ook te aardig om eerlijk tegen haar te zijn.

Guido Spring die voor VPRO en Concertzender meereist om zijn microfoon Noord-Korea in te slingeren kan zich nauwelijks van de aangeboden Mao-bijbels en -horloges redden. Ik drentel achter hem aan, in de windschaduw van het Chinese kleinkapitalisme.

Vrijdag

Naar Pyongyang. De stewardessen begroeten ons nonchalant met ‘hi’. Tijdens de landing horen wij wel dat wij in het land van de ‘Geliefde Leider’ gaan vertoeven. Op de gevel van de aankomsthal lacht ons het portret van Kim Il Song tegemoet. Geen twijfel, wij zijn er.

Onze gids is alleraardigst, maar spreekt geen woord Engels. Onze tolk is professor Engels aan de School voor Toerisme, niet de eerste de beste dus. In het moderne Yanggakdo hotel dat aan alle Westerse standards voldoet, spreken wij het drukke programma door. Aan al mijn extra wensen zijn ze tegemoetgekomen.

Volgens mij weten zij, na mijn laatste bezoek 28 jaar geleden, precies dat ik niet gekomen ben om monumenten en standbeelden te bewonderen. Er was 28 jaar geleden trouwens amper een auto te bekennen op de surrealistisch brede straten en autosnelwegen. Nu hebben ze zelfs echte files en verkeersproblemen. Vanuit mijn kamer op de 38ste verdieping overzie ik het nachtelijke Pyongyang. Zelfs in de woonwijken brandt overal licht. (De gloeilampen in het hotel zijn uiteraard van Philips!) Zou er iets aan het veranderen zijn in dat land?

Zaterdag

Het splinternieuwe Kim Won Gyun staatsconservatorium loop je niet zomaar binnen. Het gebouw is 10 keer groter en 100 keer mooier dan ons Koninklijk Conservatorium. Ontelbaar veel studiekamers, een reeks kleine en middelgrote concertzalen en één grote met circa 800 zitplaatsen. In bijna iedere leskamer een computer, de kantine is een zee van licht, er is een zwembad en ook een sporthal waar studenten driftig aan het volleyballen zijn.

De ontvangst door een collega-componist is allerhartelijkst. Hij geeft een rondleiding en als wij de studenten, die kleine presentaties hebben voorbereid, vragen stellen, antwoorden zij volstrekt openhartig zonder ook maar een propagandakreet te slaken. Wij mogen precies dezelfde gangen bewandelen die Kim Jong Il – het kan niet anders: hij heeft het gebouw ontworpen – bij de inwijding heeft bewandeld. Bij die gelegenheid lijkt hij gezegd te hebben: „Kern van het kunstonderwijs is 70% wijsheid en 30% educatie.” Dat is zo gek nog niet. Voor het gebouw staan drie standbeelden. Niet van Kim Il Song en niet van Kim Jong Il maar van ‘de’ student en ‘de’ studente alsmede van de eerste directeur, de naamgever van het instituut.

Ik mag mij in het gastenboek vereeuwigen en nodig Kim Jong Il uit om snel naar Nederland te komen om hier een paar van die prachtige conservatoria te bouwen.

Zondag

Oftewel: Juche 96, 04-15 (hun nieuwe jaartelling begint met de geboorte van wijlenKim Il Song). Hun koningsdag. Vandaag wordt het een pelgrimstocht naar het Noord-Koreaanse Betlehem, Mangyongdae, de geboorteplaats van Kim Il Song.

Ook hier is de sfeer totaal anders dan 28 jaar geleden. Een paar officieren van het volksleger scheppen er een kinderlijk genoegen in om wat verschrikte fazanten uit kooien de lucht in te jagen. Soldaten, partijmensen, pioniertjes van de communistische jeugdbond, scholieren en wat buitenlanders, alles kriskras door elkaar heen. Je kunt praten met wie je wilt en als ik de hooggedecoreerde verdedigers der natie fotografeer, kraait er geen haan naar.

Vlakbij het immense standbeeld van Kim Il Song, de Noord-Koreaanse ‘vader des Vaderlands’, wandelen wij even door een prachtig park. De tolk vertelt mij dat hier op zwoele zomeravonden verliefde paartjes komen to make love. Ik kijk hem verbijsterd aan. Ach, zijn Engels is niet echt best.

Op weg naar het grote standbeeld moet ik eerst voor drie euro wat bloemen kopen die ik dan plechtig aan de voeten van het standbeeld mag neerleggen. Een fotograaf legt de gedenkwaardige gebeurtenis à raison van zes euro vast. Het kleinkapitalisme ontluikt zelfs aan de voeten van de Grote Leider.

Vervolgens nog even naar het kerkhof van de helden van de bevrijdingsoorlog. Bij een grafstede komen wij te weten dat de overledene – in zijn latere jaren minister van defensie – zich ervoor heeft ingezet om Kim Jong Il tot opvolger van zijn vader te maken. Voor wie goede oren heeft een duidelijk signaal dat die overgang niet echt klakkeloos is verlopen.

Later in de middag naar het circus van het leger. De voorstelling is verbijsterend virtuoos, de jonge artiesten gaan tot aan de grens van het fysiek mogelijke. Van een van de clowns moet ik tot aan tranen toe lachen. Het publiek is uitgelaten, de vele kinderen gedragen zich verfrissend ongedisciplineerd.

Maandag

Zoals alle onderwijsinstellingen heeft ook de 9 juni Technische Middelbare School in Pyongyang een zaal waarin de geschiedenis van de school wordt uitgebeeld. In een leslokaal bestuderen kinderen van 13 à 14 jaar de celdeling door microscopen. In de aula heeft een aantal meisjes (vrije keuzevak: muziek) een klein concert voorbereid. Na afloop willen ze nog een dansje met ons doen en uiteraard met ons op de foto.

’s Avonds naar de Arirang -voorstelling in het gigantische May Day stadion. Ik schat zo’n 50.000 toeschouwers, ook hier zitten de buitenlanders bont gemengd tussen de Koreanen. Wat ooit als een massaspektakel in stalinistische stijl is begonnen, heeft zich inmiddels ontwikkeld tot een vrolijke en virtuoze show. Maar bepaald geen Hollywood: er is een duidelijke verhaallijn die de geschiedenis van het land uitbeeldt en het oneindige leed dat de bevolking door de Japanners en later de Amerikanen is aangedaan.

Het tv-team van het Noord-Koreaanse leger neemt een spot van ons op en ik fotografeer de heren schaamteloos terug. Na afloop een verkeerschaos dat niet onderdoet voor een Westerse opstopping.

Dinsdag

Ons eigenlijke reisdoel is het Spring Art Festival, een soort Holland Festival op zijn Noord-Koreaans. Er worden hier geen composities geprogrammeerd maar landen en hun muzikale vertegenwoordigers. Je struikelt van de ene verrassing in de andere. Een Mongoolse zangeres zingt op de achtergrond van het orkest van het Mongoolse leger de Habañera uit Bizets Carmen. Een strijksextet uit datzelfde leger speelt een vroeg-klassiek stuk uit Duitsland, een Italiaanse tenor zingt, nee: kraait iets van Bellini, een ensemble van de in China levende Koreaanse minderheid vergast het publiek op politieke en populaire Koreaanse liederen, een Spaanse gitarist speelt iets van Albéniz, een Duitse dirigent dirigeert een deel uit Tsjaikovski’s Vijfde symfonie.

Geen touw aan vast te knopen, maar het publiek in de overvolle zalen is enthousiast, zeker wanneer een buitenlander een van hun liederen zingt. Dan klappen zij mee. Ook hier enorme veranderingen: dertig jaar geleden zou zulk een variëteit van niet-politieke muziek volstrekt ondenkbaar geweest zijn. Dat de Pyongyang Times, de meest onleesbare krant ter wereld, vermeldt dat aan dit festival „18.000 musici uit 1.000 landen” (sic!) hebben meegewerkt bewijst dat de liberalisering aan de sociale basis nog niet tot de hogere echelons is doorgedrongen.

Woensdag

De telefoon rinkelt mij letterlijk het bed uit. Een hoge ambtenaar van het Noord-Koreaanse ministerie voor Cultuur wil mij spreken. Het land is recentelijk toegetreden tot de Berner Conventie, de grondwet van wereldwijde bescherming van auteursrechten. Ze hebben in hun ministerie een afdeling opgericht om het project verder te ontwikkelen.

Terwijl bij mijn vorige bezoek ministers of hoge ambtenaren langdradig de lof op de Grote Leider zongen omdat in de KVDR alles beter is, hoor ik nu volledig andere taal. Ze weten totaal niet hoe ze de zaak moeten aanpakken en vragen om hulp.

Ik geef een geïmproviseerd college over de beginselen en de praktische inrichting van het auteursrecht, vertel uitvoerig over hoe wij het bij BUMA doen en hoe het internationaal geregeld is. De ambtenaar stelt sommige vragen zelfs drie keer: hij betreedt een volkomen nieuw terrein.

Het is het allereerste gesprek dat Noord-Korea in deze materie met een buitenlander voert. Ik beloof ze alle hulp, geef de nodige adressen en druk ze nog eens op hun hart dat het auteursrecht het recht van de individuele auteur is.

Ook tijdens deze lange ontmoeting geen woord propaganda. Alweer heb ik het goede gevoel dat het land bezig is om zich in kleine stappen van binnenuit te openen.

Donderdag 19 april

Terug naar Nederland. De in Noord-Korea nog alom aanwezige propaganda lijkt mij niet erger dan de commerciële propaganda die ik in het vliegtuig en bij aankomst op Schiphol over mij heen moet laten gaan. Wat hun Grote Leider is, is voor ons het geld.

Geen Noord-Koreaan die nog naar die propagandaborden kijkt. Dat zoontje Kim Jong Il in de KVDR stelselmatig niet meer de Geliefde Leider maar bondig de Generaal of Kim Jong Il wordt genoemd, is een van de vele tekens van een ontnuchtering en liberalisering die ik gedurende deze week heb opgevangen.