Kinderen worden ‘rotjochies’ in de stadsjungle

Het gedrag van onhandelbare jongetjes drijft buurtbewoners tot wanhoop. De ouders voeden hun kinderen niet op. Op straat corrigeert niemand ze. Andere kinderen mogen niet meer zonder toezicht buiten spelen.

Salsabil is vandaag jarig. Hoewel ze al negen is geworden, mag ze niet in haar eentje op straat spelen. Ze gaat alleen naar buiten als haar vader of andere grote mensen meegaan. Ze is bang voor de jongens in haar straat, de Haïfadreef in de Utrechtse flatwijk Overvecht. „Ze komen gelijk op me af en zeggen lelijke woorden. Of ze jagen me weg. Soms gaan ze slaan en zijn ze ineens met een hele groep. Ik vind ze hartstikke stom”, moppert Salsabil tussen een paar slokken frisdrankdoor.

Met haar vriendinnetjes speelt ze onder begeleiding van jeugdwerkster Yvonne in het nabijgelegen Gagelpark. De meisjes zijn bang voor de jongens van hun eigen leeftijd. Yvonne zelf („geen achternaam graag”) heeft ‘gelukkig’ alleen maar meisjesgroepen. Ze rolt met haar ogen als het over de jongetjes uit de wijk gaat. „Het is echt niet normaal meer hoe die de laatste maanden tekeer gaan”, verzucht ze. Als ze zelf een zoon zou hebben, was ze allang verhuisd. Daar wil je je kinderen niet tussen laten opgroeien.

De wijk kampt met een grote groep ‘rotjochies’ van nog geen twaalf jaar oud, die naar god noch gebod luistert. Het jeugdwerk slaat alarm over honderd tot honderdvijftig onverbeterlijke lastpakken. De situatie is nijpend. Overvecht heeft een jonge bevolking. Ruim 5.000 kinderen zijn onder de vijftien, 75 procent daarvan is allochtoon, het overgrote deel van Marokkaanse afkomst. Driekwart van de kinderen begint de basisschool met een achterstand.

Minister Rouvoet belooft vaart te zetten achter de Centra voor Jeugd en Gezin. Deze centra, waarbinnen alle jeugdhulp en jeugdzorg samenkomen, moeten de onzichtbare ouders helpen bij het opvoeden van hun ontsporende kroost. Vrijblijvendheid is verleden tijd. Ouders zijn verplicht mee te werken. Desnoods onder dwang, kondigde minister Rouvoet aan.

Waarom roept het gedrag van deze kinderen zulke sterke reacties op van het jeugdwerk, de buurt en de nieuwe minister? En zijn deze ‘rotjochies’ primair een product van falend ouderschap of speelt het overleven in de stadsjungle van Overvecht ook nog een rol?

De jongens zijn geen lieverdjes. Een pikzwart jongetje is de enige van een groep van vijf die niet uit Noord-Afrika lijkt te komen. Hij wordt vergezeld door vier anderen: een voetballertje, een jongen op krukken, een slungel in een zwart T-shirt met gouden letters en een dik Marokkaantje die de hele tijd wheely’s (op één wiel rijden) maakt op zijn fiets.

Om half zeven ‘s avonds klieren ze tussen een groep van ongeveer twintig jongens op de skatebaan in het Gagelpark. Het is warm. Het grasveld ligt vol met gezinnetjes. Moeders vertellen de laatste roddels en kinderen rennen joelend door de bloemperken. Op de skatebaan vermaken pubers zich met twee winkelwagens. Onder opgewonden applaus van de kleintjes duwen ze die met grof geweld frontaal op elkaar. Als ze na een half uur hun interesse verliezen, nemen de kleintjes het werk over.

Langslopende volwassenen zijn zichtbaar geïrriteerd. Ze grijpen niet in en vertrekken naar een rustiger plek. Wellicht heeft dit te maken met het geweld dat de jongens tegen elkaar gebruiken. Een jongen van rond de twaalf komt aangehinkt op krukken. Die stokken is hij meteen kwijt. Die belanden op hoofden en tussen fietsspaken. De wheely-jongen komt daardoor hard ten val. Dit tot groot vermaak van de groep.

Het lijkt alsof de pikorde telkens bevochten wordt. De jongens van vijftien duwen en slaan de jongens van twaalf. De jongens van twaalf duwen en slaan de jongens van acht, enzovoort. Het zwarte jochie staat onderaan de ladder: hij krijgt de meeste klappen. Ook verbaal troeven ze elkaar af, maar wel met een beperkte woordenschat: ‘Kankerhoer! Kankermongool! Kankerhomo!’

Tegen acht uur maakt het vijftal zich los van de groep en vertrekt naar winkelcentrum De Gagelhof. De motorkap van een Mercedes en gestalde fietsen dienen als zitbank. Bij de sigarenboer Vivánt halen ze voor sluitingstijd snel nog snoep. „Hé amigo”, roepen ze naar de eigenaar. „Ik geef je tien cent amigo”, probeert de wheely-jongen af te dingen. Hij komt er niet mee weg. Een ander legt te weinig geld neer en rent weg. De sigarenboer laat hem niet gaan.

Hij zegt, als de jongens naar hun hangplek zijn teruggekeerd, weinig met deze kereltjes te kunnen. „Die oudere Marokkaanse jongens zijn nog wel voor rede vatbaar. Maar die jochies moet je altijd in de gaten houden.” Het groepje vertrekt, een kromgebogen Mercedes-ster achterlatend. Een straat verderop hoor je ze nog ‘kankerhoer’ gillen naar de vrouw die bij haar fiets wilde.

Negen uur, de avonddienst in het Utrechtse hangcircuit is begonnen. BMW’s, Volkswagens en harde raïmuziek komen ervoor terug. Het vijftal arriveert bij winkelcentrum De Klop, dat ongeveer een kilometer verder ligt. Ook hier krijgt het zwarte jongetje flinke klappen. De jochies zijn niet welkom bij het scootervolk en verdwijnen in de schemering van de wijk, vermoedelijk naar huis.

Of daar een warm nest wacht, is nog maar de vraag. Politie, gemeente, pedagogen en jeugdwerk houden eensgezind het gebrek aan opvoeding verantwoordelijk voor het gedrag van de kinderen. Volgens Mina El Ammari, oudercoach bij Cumulus Welzijn zijn de ouders moeilijk aan te spreken op het gedrag van hun kinderen. „Ze kloppen niet bij ons aan. We zoeken ze zelf op. Sommigen weigeren echter hulpverlening, uit schaamte of angst.”

Die onbereikbare ouders leven volgens haar geheel buiten de Nederlandse maatschappij. „Ze beseffen niet dat ze andere normen hanteren dan de samenleving. Als een kind ruziemaakt zeggen ze: ‘Ach het is een kind’. Maar op school wordt dat niet goedgekeurd.” El Ammari hamert erop dat de ouders echt wel van hun kinderen houden. „Vaak doen die ouders alles voor hun kinderen. Maar ze zijn niet gewend om de liefde om te zeggen in aandacht.”

Ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma (Rijksuniversiteit Groningen) zegt dat wanneer de ouders niet corrigeren, ze het gedrag overnemen van leeftijdgenoten in de „jungle van de probleemwijk”. Bovendien wijst Breeuwsma op het conformisme. „De groepsdruk van acht- tot twaalfjarigen is erg groot. Als er weinig sociale controle is, creëren ze hun eigen normen. Ze groeien op in een moreel vacuüm”.

Als deze kinderen zich op straat niet slecht en hard gedragen, zijn ze zelf aan de beurt. Tot die conclusie komt ook Erwin de Boer, manager van Cumulus Welzijn. Hij ziet de tragiek van de jongens. „Ze hebben geen vriendjes. Als er iets gebeurt, gaan ze gelegenheidscoalities aan. Het is een jungle voor ze”.

De Boer hoort het van oudere straatjongens. „Die zeggen: ‘Wij hebben nog geluk gehad. Onze vader sloeg ons wél. Hij begreep ons niet, maar we weten tenminste hoe het hoort. Deze jongere jongens accepteren het niet als je ze op hun gedrag aanspreekt.”

Nog triester is de situatie van de andere kinderen in de wijk. De Boer: „Voor hen is het echt verschrikkelijk. Ze moeten van hun ouders weer naar binnen als er geen toezicht is. Vooral voor meisjes is het link. Die jongens zijn ook op seksueel gebied bedreigend.”

De Iraanse Zorra (47) laat haar kind zeker niet alleen buitenspelen. „Die jongens zijn zo brutaal. Ik heb een keer ruzie met ze gehad omdat ze op mijn rolstoel wilden klimmen. De volgende dag kwam mijn dochter huilend thuis omdat die jongens haar bedreigd hadden.”

De meiden van jeugdleidster Yvonne vinden dat de jongens maar eens normaal moeten doen. Salsabil: „Jullie moeten ophouden, sukkels.” Ook al mag ze dat lelijke woord van haar vader niet zeggen.