Johan, de ziekenverzorger, zorgde niet goed voor meneer

Wie komt er bij de rechter en waarom? Wijkverzorger Johan onthield een oude, demente man opzettelijk eten en drinken. Zegt de dochter.

Drie rechters zitten klaar om de zaak van Johan H. te behandelen. Dan moet het wel erg zijn, wat hij heeft gedaan. Je komt niet zomaar voor de meervoudige kamer.

Johan H., 42 jaar, blijft bewegingloos voor de rechters staan. Pas als de rechter hem zegt dat het mag, gaat hij zitten. Johan H. is wijkziekenverzorger in Den Haag. Tien jaar lang kwam hij bij de familie die nu achterin de zaal zit, aan huis. Eerst om de oude moeder te verzorgen, tot ze overleed. De laatste jaren verzorgde hij de negentigjarige demente vader. Twee keer in de week kwam hij. Op dinsdag en en donderdagochtend. Hij verschoonde de luiers, verzorgde de wonden als meneer weer eens uit bed was gevallen.

De dochter van meneer deed aangifte tegen Johan H. Zij vindt dat hij haar vader heeft verwaarloosd. De officier van justitie gelooft het verhaal van de familie. Zij vervolgt Johan omdat hij „opzettelijk en met voorbedachte rade een onmachtige, hoogbejaarde demente man met bronchitis” voedsel, vocht en verzorging heeft onthouden. Dat klinkt naar versterving, naar dood laten gaan. En dan is het nog maar een kleine stap naar dood maken. Daarom zitten er drie rechters.

De eerste rechter begint. Ze pakt de kopieën van de logboeken erbij. Johan noteerde er na elk bezoek in wat meneer had gegeten en gedronken en wat hij had gedaan. Het zijn de logboeken van 1 juni 2005 tot en met 21 juli 2005. Een maand en drie weken. Precies de periode waarin Johan meneer zou hebben uitgehongerd. En bij elke dag schrijft Johan vrijwel hetzelfde: banaan gegeten, sap gedronken, boterham klaargezet.

De kleinzoon van meneer, die boven hem woont, kreeg argwaan. Hij zegt dat Johan altijd om zeven uur ‘s ochtends kwam, een kwartier bleef en dan wegging. Meneer had toch recht op twee keer drie uur uur zorg van u per week, vraagt de rechter. Johan: „Ik fietste dan even snel naar kantoor, om de administratie te doen en ging dan weer naar meneer.” De kleinzoon was dan al naar zijn werk.

„Maar u noteerde niet in het logboek, dat u naar kantoor fietste?”, zegt de rechter. Nee, zegt Johan, dat deed hij niet. En dat van die banaan, het sap en de boterham, dat klopt wel? Ja, zegt Johan. Alleen die ene dag, de dag dat hij werd ‘betrapt’ door de dochter van meneer, toen klopte het niet. Die dag kwam Johan ook om zeven uur. Hij zag dat meneer sliep. „Eigenlijk”, zegt Johan tegen de rechter, „kwam me dat wel goed uit”. Het was vakantietijd, er waren veel zieke verzorgers. Hij besloot meneer te laten slapen en vast de administratie te gaan doen. Maar hij noteerde in het logboek wat hij altijd noteerde.

Toen hij weer terugkwam bij meneer, stond de dochter bovenaan de trap. Ze schreeuwde en confronteerde hem met zijn leugens. Op het pak sap in de koelkast had ze een controlestreepje gezet, de bananen waren geteld. Zo was uitgekomen dat meneer helemaal niet had gegeten en gedronken. Van die confrontatie weet Johan zich nu weinig meer te herinneren. De psychiater die hem later onderzocht, verklaarde dat Johan hoogstwaarschijnlijk een burn-out had.

De middelste rechter wil best geloven dat het „water Johan over de schoenen liep”. Maar waar hij nog antwoord op wil, is dit: Johan heeft ooit gezegd dat hij het vertikte om een slapende oude man, het eten naar binnen te proppen. De dochter in de zaal sist: „Pa sliep niet. Hij sliep niet.” Is het niet toch zo, vervolgt de rechter, dat Johan zelf het besluit heeft genomen dat het maar over moest zijn met meneer? Johan schudt zijn hoofd heftig. „Nee, dat zou ik nooit doen.”

De advocate van Johan krijgt het woord. Ze is vriendelijk, maar vlijmscherp. Ze zegt: „Is het slecht om iemand die diep in slaap is, met rust te laten? Is het niet veel slechter om een oude man met bronchitis sigaretten te geven? Zoals zijn dochter deed.” De dochter hapt naar adem. De advocate: „En stel nou dat Johan meneer echt had willen laten doodgaan. Dan had hij het echt niet gered met hem twee keer per week een ochtend geen boterham te geven. Zeker niet als daarna ook nog eens twee verzorgers en de dochter kwamen om hem te voeden. En, zegt ze, het is niet Johans schuld dat de thuiszorg overbelast is.

Voor de zitting is twee uur uitgetrokken, er zijn er al drie voorbij. Rechter Elkerbout last een korte pauze in. Na de schorsing stelt hij misschien wel de belangrijkste vraag: Leeft meneer nog? Dat doet hij. Twee weken later volgt de uitspraak: Johan H. wordt vrijgesproken.