‘Ik wilde dat ze tegen me opkeken’

‘Vierentwintig flesjes Bacardi breezer dronk ik op het laatst. Elke dag. Soms meer, nooit minder. Daarnaast snoof ik iedere dag een paar gram cocaïne, rookte ik een stuk of tien joints en slikte kalmeringspillen – van de dokter, of van de zwarte markt. Toen ik vertelde aan de verslavingsarts in Schotland wat ik allemaal gebruikte, geloofde hij me niet.

Ik ben begonnen met cocaïne toen ik 15 was. Dat is vrij normaal, in het Volendamse uitgaansleven. Er heerst hier een cultuur van hard werken, veel geld verdienen en dan in het weekend helemaal los. Ik werkte ook heel hard, was al jong van school af – eraf gestuurd, zeg maar. Mijn vader had een eigen viszaak, die vond ik veel interessanter. Ik hield van gezelligheid, wilde middenin het leven staan. Ik werd mede-eigenaar van de groothandel en werkte veel in onze viswagens.

Door de cocaïne voelde ik me vrijer. Je krijgt meer energie, bent niet meer moe, wordt zelfverzekerder. Als puntje bij paaltje komt ben ik verlegen en durf ik niet de stappen te zetten die ik zou willen. Met coke verdween die vrees. Ik snoof alleen in het weekend, soms een weekendje niet – ik hield het bij sociaal gebruik. Tot ik steeds meer last kreeg van mijn ziekte.

Het begon met hevige pijn in mijn rechterkuit. De ene arts dacht aan reuma, de ander aan leukemie. Ik kreeg antibiotica en andere medicijnen, maar het werd alleen maar erger: pijn in mijn benen, in al mijn spieren. Het heeft jaren geduurd tot de diagnose werd gesteld: de ziekte van Wegener. Ik weet de datum nog precies: op 23 augustus 1998 hoorde ik eindelijk wat er met me aan de hand was. Toen had ik al jaren overal pijn. Ik had ook last van hevige korstvorming in mijn neus. Wegener is een zeldzame auto-immuunziekte die zachte weefsels aantast; ook bij veel andere patiënten is de neus het gevoeligst. Ik had steeds ontstekingen en bloedneuzen.

Toen ik 26 was, kon ik niet meer functioneren. Ik begon alcohol te drinken tegen de pijn. Geen bier – dat roken de klanten – maar wodka en Bacardi. Ik dronk altijd, de hele dag, waar ik ook was. In mijn huis, in mijn auto, op het werk. Dat had ik nodig, dacht ik. Coke snoof ik in de weekenden ook steeds gretiger. Mijn vrienden deden dat allemaal – maar niet zo heftig als ik. Ik deed alles heftig. Altijd dure kleding kopen, dikke auto’s, gouden Rolexen. Ik wilde dat mensen tegen me opkeken, ik was de patser.

Op een doordeweekse dag nam ik eens een lijntje coke om te kijken of dat hielp. Ik voelde me opeens veel beter. De pijn was weg, ik had weer energie om wat te ondernemen. Toen ben ik ook door de week gaan gebruiken. Eerst 1 gram, uiteindelijk 5 gram per dag. Iedere week snoof ik 35 gram cocaïne. Ik moest steeds meer gaan stelen, liegen en bedriegen om aan geld te komen. Lag er ergens een portemonnee, dan stal ik eruit. Ik haalde ook geld uit de kluis van mijn vader, heel veel geld.

Op foto’s uit die tijd zie je mij met een strak, spierwit gezicht en holle ogen. Een soort gek, eigenlijk. De mensen om me heen zagen dat natuurlijk wel, ze vermoedden ook wel wat, maar ze hadden mij nog nooit betrapt. Mijn moeder maakte zich zorgen, mijn vader zag ook dat er iets niet klopte, vooral in zijn kas. Maar dan loog ik: ‘Je moet eens op die en die werknemer letten, pa: ik heb gehoord dat hij een gokprobleem heeft.’ Dat een ander de schuld kreeg van mijn diefstal – daar gaf ik niks om. Ik stal ook vis uit onze werkplaats: die verkocht ik of gaf ik aan mijn dealer. Hij wilde best dure krab of gamba’s ruilen voor coke.

Vanwege mijn ziekte belandde ik steeds vaker in het ziekenhuis. Zo heb ik vijf maanden in het academisch medisch centrum Groningen gelegen. Daar kreeg ik chemokuren, en Prednison, en antibiotica. Zelfs toen lag ik nog te snuiven. Ik had in Groningen al gauw een dealer gevonden, ik gebruikte dagelijks – en ze wisten het niet! Iedere dag artsen om je bed en ze zien het niet. Maar ik kon het ook zo goed verbloemen. Ik ging vaak onder de zonnebank, had mooie kleren, was altijd goed geschoren en netjes geknipt. Zo zien de meeste verslaafden er niet uit, toch?

In welk ziekenhuis ik ook kwam, de artsen kregen mijn ziekte niet onder controle. De ontstekingen bleven actief, ik had koorts, werd kortademig en waanzinnig mager. Nu begrijp ik dat mijn drugsgebruik daaraan bijdroeg. Zij proberen me beter te maken en ik ga lekker door met drinken en snuiven…. Dan verandert er natuurlijk niets.

Door de korstvorming in mijn neus kreeg ik vaak geen lucht. Met een pincet trok ik wanhopig de korsten eruit, dan scheurde ik soms stukken vlees mee. Als het dan hevig ging bloeden, deed ik cocaïne op een dot watten om daarmee de wond dicht te branden. Díe pijn – die kan ik niet beschrijven. Achteraf gezien was het een hel. Als ik niet stoned was, lag ik vaak hard te huilen in mijn bed. Ik dacht: ik ga dood, ik ga dood.

In het voorjaar van 2005 belandde ik op straat. Mijn ouders wilden niets meer met me te maken hebben, werk had ik niet meer, de bank had mijn huis in beslag genomen. Ik heb op een industrieterrein geslapen en bij dealers in Amsterdam. Ik leefde uit een koffer; normale, schone kleren had ik nauwelijks meer. Pas toen ben ik naar Den Haag gegaan om een intakegesprek te voeren voor een afkickkliniek in Schotland. Zo diep moest ik gaan: ik had niets meer, er was geen keus meer.

In eerste instantie wezen ze me af. Ze vonden mijn ziekte een te groot risico voor toelating tot hun programma. Toen ik dat hoorde, stortte mijn wereld in. Ik heb gezegd: dan maak ik een einde aan mijn leven. Omdat ze zagen dat ik het meende, mocht ik toch komen. Meer dan acht maanden ben ik in Schotland gebleven. De eerste zes weken waren vreselijk. Koud, warm, trillen, in mijn broek plassen, in mijn broek poepen. Ik had voortdurend visioenen - dat afkicken was een drama. Ze probeerden me erdoorheen te slepen maar ik was nog de oude branie. Ik loog dat ik een eigen zaak had – díe verslaving moest ik ook nog kwijt. Maar dat zijn ze daar gewend. Na de afkick krijg je therapie, dan gaan ze eens flink aan je gedrag werken Mijn therapeut zei recht in mijn gezicht: jou vertrouw ik niet. Toen ik protesteerde zei hij: Een verslaafde is nooit te vertrouwen. Dat ben ik met hem eens – nu wel. Ik heb daar geleerd dat ik mijn leven echt 180 graden moest kantelen. Dat kán, maar het is een enorme opgave. Niet meer liegen. Eerlijk zijn over mijn gevoelens – had ik nog nooit gedaan. Nu praat ik over wat ik voel. Dat valt me niet mee want als ik ’s morgens in de spiegel kijk, ben ik niet blij met mezelf. Ik heb een groot gapend gat in het midden van mijn gezicht. Maar door erover te praten, is ermee te leven.

Mijn neus is afgelopen november geamputeerd. Ik had een gat in mijn linkerneusvleugel – door mijn ziekte, en waarschijnlijk ook door mijn verslaving. Er zijn meer patiënten met de ziekte van Wegener bij wie de neus is aangetast, maar ik heb het verergerd door zoveel coke te snuiven. Toen mijn neus half verdwenen was en ingezakt doordat mijn hele tussenschot was verdwenen, hebben chirurgen in Maastricht geprobeerd een nieuwe neus voor mij te construeren. Daarvoor hebben ze overal op mijn lichaam repen huid weggehaald, ik zie er onder mijn kleren uit als een lapjeskat. Steeds weer mislukte het, toch bleven ze beloven dat het goed zou komen. Totdat mijn zogenaamde gereconstrueerde neus eruitzag als een monsterlijke boksbal en afstierf. Mij werd toen gezegd: we kunnen niets meer voor je doen, we moeten de neus helemaal amputeren.

Toen ik voor het eerst in de spiegel keek… In Schotland had ik geleerd mijn gevoelens toe te laten en mezelf te accepteren – nou, dit was wel meteen de grootste beproeving. Zonder neus heb je een heel raar gezicht, zelfs als ik een verband draag lijk ik net een bulldog. Altijd blikken, altijd opmerkingen, vooral van kleine kinderen: mama, hij heeft geen neus! Ja, ik heb een lange lijst met excuses om te zeggen: fuck iedereen, ik ga weer lekker gebruiken. Maar ik doe het niet meer. Het betekent mijn doodvonnis, en ik wil het mijn familie nooit meer aandoen.

Ik heb nu het geluk dat in het Nederlands Kanker Instituut een mooie prothese voor mij wordt gemaakt. Die kunstneus geeft mij weer wat zelfvertrouwen. Ik heb ook geaccepteerd dat ik ziek ben. Dat wilde ik nooit: zielig zijn, dingen niet meer kunnen. ‘Ik ben niet ziek, ik ben macho’ – dat was mijn houding. Een vorm van domheid, vind ik nu. Ik accepteer mijn ziekte en leef er ook naar. Ik slik nog dagelijks antibiotica en heb altijd pijn. Ik zou graag willen werken en niet zo vaak in het ziekenhuis liggen, maar ja…. Het is niet anders.

Ik geloof dat ik zelfs kan zeggen dat ik gelukkig ben. Ik ben trots dat ik al anderhalf jaar clean ben en dat ik nu mezelf ben. Gewoon: Berry, met gevoelens, en met belangstelling voor anderen.

Mijn belangrijkste doel is nu om verslaafde jongeren in Volendam te helpen. Mijn tante is Gary Kok, de oprichtster van de moedige moeders, een stichting voor moeders van verslaafde kinderen – en daar zijn er véél van in Volendam. Die moeders zijn zo moedig omdat ze het zwijgen doorbreken. Ik probeer daarbij te helpen, mijn telefoonnummer staat op hun folder.

Ouders bellen me op of ik een bezoek aan hun huis wil brengen en een gesprek met hun kinderen wil aangaan. Dat doe ik geregeld. Ik vind het wel zwaar en emotioneel, want ik zie waar zij naartoe gaan – daar waar ik geweest ben. Ik probeer ze te waarschuwen, te helpen, maar dat kwartje valt niet meteen. Ze moeten zelf willen stoppen, ik kan er hooguit wat aan bijdragen.

Iedereen kent mij hier en weet waar ik vandaan kom. Uit de goot. Hopelijk kan ik een paar jongeren wakker schudden.”

Opgetekend door Eveline Brandt