Geen hek om elke besanjelier

Eén rugstreeppad kan een bouwproject stilleggen. Zulke strenge natuurbescherming kan echter averechts uitpakken voor de paddenpopulatie. Tijd voor kansberekening in het natuurbeleid, zegt Reinier de Nooij. Koos Dijksterhuis

De bloem van een besanjelier . Beschermde soorten zoals deze kunnen bouwprojecten stilleggen. © Wil Meinderts / Foto Natura -------------------------------------------------------------------------------- Photo information -------------------------------------------------------------------------------- Besanjelier Close-up van de bloem van een Besanjelier Scientific: Cucubalus baccifer anjerfamilie bloei bloeiend bloem bloemen caryophyllaceae close-up flora planten plant -------------------------------------------------------------------------------- English -------------------------------------------------------------------------------- Subject: Berry Catchfly Close-up of the flower of a Berry Catchfly berry-bearing bloom caryophyllaceae close-up flora flower flowering flowers plants plant -------------------------------------------------------------------------------- Information re the downloadable file -------------------------------------------------------------------------------- 3888 x 2512 pixels 8851 Kb compressed 28613 Kb uncompressed size Print size 300 dpi 13.0" x 8.4" or 33.0 cm x 21.3 cm Foto Natura

De wetgeving voor natuurbescherming is te veel gericht op afzonderlijke plant- en diersoorten en te weinig op populaties in hun leefgebied. Soortgerichte bescherming schiet zijn doel voorbij, omdat de natuur heel dynamisch is waardoor soorten onverwacht kunnen verdwijnen en verschijnen. Dat zegt milieukundige Reinier de Nooij die eind vorig jaar in Nijmegen promoveerde op hoe de wetgeving botst met ecologische wetenschap. “Het Nederlandse natuurbeschermingsbeleid berust nog op een verouderde visie op de natuur, als zou de natuur een stabiel evenwicht kennen, dat de mens alleen maar kan verstoren.”

In de Noordoostpolder leven veel rugstreeppadden. Ze frustreren boeren, die vanwege deze beschermde soort geen schuur of kas mogen aanbouwen. “Rugstreeppadden houden van vochtig, open terrein met veel dynamiek”, zegt De Nooij, die de provincie Flevoland adviseert over deze padden. “In Nederland komen ze vooral voor in de duinen, langs de grote rivieren en in de Noordoostpolder, waar in de paartijd voldoende poelen en sloten blank staan.”

vijandigheid

De rugstreeppad is een zeldzame Europese soort, en dus zou je boeren in de Noordoostpolder volgens De Nooij juist moeten bemoedigen: ‘jullie doen het goed, ga zo door!’ In plaats daarvan worden boeren gedwarsboomd vanwege die beesten. “En dat kan leiden tot vijandigheid”, weet hij. “Als een boer rugstreeppadden op zijn erf heeft, is een ontheffing aanvragen voor een schuur een tijdrovende procedure. Vaak is het dan ‘nee’. “Laatst nam een boer die een kas wilde bouwen, een emmer vol rugstreeppadden mee naar een hoorzitting. ‘Hoezo zeldzaam?’ vroeg hij. Die man snapte niet waarom hij geen kas mocht. Straks trapt hij die beesten nog dood. Dan werkt de natuurbescherming dus averechts.”

De Nooij is voor bescherming van rugstreeppadden maar dan wel als populatie. “Boeren willen intensiveren”, zegt hij, “en dat is niet goed voor rugstreeppadden. Zo’n populatie verdient bescherming en dan moet je bijvoorbeeld niet rigoureus ontwateren. Maar je kunt die boeren beter zeggen: zorg voor voldoende poelen in uw land en laat houtstapels liggen en laat kieren in de stalmuur open, zodat padden ’s winters kunnen schuilen. En tegelijk zou de overheid dan niet moeilijk moeten doen over een uitbreiding waar misschien enkele padden last van hebben, maar de populatie niet.”

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is vorig jaar afgestapt van soortbeschermingsplannen ten gunste van leefgebiedbescherming, maar De Nooij heeft weinig vertrouwen in die beleidswijziging. Daarvoor is de natuurbeschermingswetgeving te veel gericht op soorten en zelfs individuele dieren. De Flora- en faunawet beschermt bijna alle diersoorten en noemt de intrinsieke waarde van het dier. Dat betekent dat elke individuele mus beschermd moet worden. Terwijl het in de ecologie gaat om populaties in hun ecosysteem.

“Een paar jaar geleden legde één paartje huismussen in een Geleense dakgoot een bouwproject stil”, zegt De Nooij. “Het gaat slecht met de huismus, maar daar verandert dat ene nest niets aan, te meer daar die dakgoot na het broedseizoen alsnog gesloopt mag worden.” Huismussen zouden volgens hem meer baat hebben bij een bouwbesluit dat het dichten van kierende dakpannen niet voorschrijft, dan bij een wet die individuele mussen beschermt.

rivierduinen

Het soortdenken had een verrassend gevolg in de Millingerwaard, een natuurontwikkelingsgebied langs de Waal. “De stichting Ark wilde daar een ecosysteem van dynamische riviernatuur”, vertelt De Nooij. “De Waal mocht overstromen en zette jonge rivierduinen af. Daar ontstond een rivierduinvegetatie met verschillende in Nederland zeldzame plantensoorten. Grote grazers hielden de vegetatie open. Een succes dus, maar één van die nieuwe planten was de besanjelier, een streng beschermde soort die door de runderen vertrapt zou kunnen worden. Staatsbosbeheer trok aan de bel: ‘stop, die plant moet beschermd worden’. Ark kon pas doorgaan met niets doen toen er een hek om die besanjelier was geplaatst.”

Volgens De Nooij ligt de voorkeur voor soorten en zelfs individuele dieren aan een verouderde visie op natuur. Ecologie kwam jarenlang neer op het opschrijven van soortenlijsten in het veld. Later kreeg men oog voor de relaties tussen die soorten. Er zou een stabiel evenwicht bestaan, dat de mens alleen maar kon verstoren. De Nooij: “Tot in de jaren zeventig vierde dat misverstand hoogtij. Maar natuur is vaak onevenwichtig en onvoorspelbaar, zeker langs rivieren. Er zijn zoveel factoren die elkaar ook nog eens beïnvloeden! Je kunt hooguit zeggen dat het herinrichten van uiterwaarden hoogstwaarschijnlijk leidt tot een afname van plaatselijke grutto’s. Maar de wetgever wil zekerheid. Dan kan er na zo’n conclusie in een beleidsrapport staan dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn voor de grutto-populatie. Onze natuurwetgeving stamt uit de jaren zeventig en loopt dertig jaar achter op ecologische inzichten.”

visvergunning

Een paar jaar geleden greep toenmalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Veerman het onderzoek Eva-II naar de effecten van schelpdiervisserij aan om de schelpdiervissers een nieuwe visvergunning te verlenen. Weliswaar staat in dat onderzoeksrapport dat de schelpdiervisserij negatief uitpakt voor de wadbodem, de hoeveelheid schelpdieren en de voedselvoorraad van schelpdieretende vogels. Maar ook dat onderzoek kon niet met honderd procent zekerheid uitsluiten dat die effecten andere oorzaken hadden. Honderd procent zekerheid biedt wetenschap nooit.

De Nooij pleit daarom voor een natuurbeleid dat net als wetenschap op kansberekening stoelt en niet op zekerheid. Over die kansen moet consensus komen, vindt hij, “Zoals die bestaat bij bijvoorbeeld bodem- of luchtvervuiling. Zekerheid dat gedumpt chemisch afval mensenlevens kost heb je niet, maar daar zijn toch duidelijke normen op basis van kansberekening.”