Een wet op het maximumloon?

Anderhalve week geleden besprak de Tweede Kamer, niet voor de eerste keer, de sterk gestegen beloning van topbestuurders in het bedrijfsleven. Minister Bos (Financiën, PvdA) moest spitsroeden lopen. Daar had hij het naar gemaakt door als oppositieleider de graaicultuur van sommige bovenbazen te hekelen. Nu tapte Bos opeens uit een heel ander vaatje: wie hard werken en grote verantwoordelijkheid dragen, mogen veel verdienen. Akkoord, maar zijn de forse arbeidsvoorwaardenpakketten wel in alle gevallen ‘verdiend’? Voor de buitenwereld is het verband tussen de beloning van topbestuurders en de door hen geleverde prestaties zelden transparant.

De arbeidsvoorwaarden van de ondernemingsleiding – basissalaris, bonus, gouden parachute bij voortijdig vertrek – worden vastgesteld door de raad van commissarissen. De leden van de raad zitten in een lastig parket. Vanzelfsprekend speuren zij bij vacatures naar de beste kandidaat voor de onderneming. Ze vissen in een tamelijk kleine vijver en zijn daarom bereid de buidel te trekken. Geen enkel bedrijf wil zijn topman bovendien benedengemiddeld remunereren.

Door de verplichte openbaarmaking van bestuurdersbeloningen is sinds een aantal jaren precies bekend wat elders wordt betaald. Zo is een snelle opwaartse salarisspiraal ontstaan. Daarbij komt dat een beloningspakket niet zo vlug als exorbitant wordt herkend, want in de raad van commissarissen zijn (gewezen) ondernemingsbestuurders doorgaans zwaar oververtegenwoordigd en ons kent ons.

De commissarissen leggen verantwoording af aan de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap. De beloningspakketten voor de top ontmoeten daar in het algemeen weinig kritiek. Dat kan anders. Pensioenfondsen beleggen veel van hun vermogen in beursgenoteerde ondernemingen. De vakbeweging bezet bij de fondsen de helft van de bestuurszetels. Zij kan ervoor zorgen dat een vertegenwoordiger van hun fonds op de vergadering van aandeelhouders veel assertiever gaat ageren tegen manifestaties van de ‘graaicultuur’. Die lange weg door de instituties wil de FNV kennelijk niet bewandelen. Het is natuurlijk veel gemakkelijker, maar ook goedkoper, om voorzitter Jongerius te laten roepen dat de overheid moet ingrijpen.

Het kabinet zit niet helemaal stil. De ondernemingsraad (OR) van beursgenoteerde concerns krijgt in de toekomst de bevoegdheid te adviseren over de arbeidsvoorwaarden van de leiding. Zo’n vrijblijvend advies van de OR vergroot slechts de papierstroom binnen het bedrijf. Voor verdergaand overheidsingrijpen bestaan goede argumenten die niets met jaloeziedenken van doen hebben. De arbeidsmarkt voor topbestuurders functioneert klaarblijkelijk niet goed. Marktfalen is een klassiek motief voor overheidsbemoeienis. Bevordering van een redelijke inkomensverdeling vormt al meer dan een halve eeuw een van de hoofddoelstellingen van het sociaal-economische beleid. De vruchten van gezamenlijke inspanningen in Nederland behoren op een aanvaardbare manier te worden verdeeld. Buitensporig hoge beloningen van topbestuurders staan haaks op dit streven en tasten de maatschappelijke samenhang aan. Slecht voorbeeld doet slecht volgen. De bereidheid van de overige werknemers in de bedrijven om verantwoorde looneisen te stellen wordt door hebzucht van boven ondergraven.

De linkse partijen hebben geopperd het toptarief van de inkomstenbelasting (nu: 52 procent) te verhogen tot 55 (PvdA) of 60 (GroenLinks). Sinds 2001 wordt inkomen belast in één van drie ‘boxen’, elk met een eigen tarief. Wanneer het de bedoeling is alleen bestuurders te treffen, en niet succesvolle zelfstandige ondernemers, dient salaris voortaan te worden belast in een nieuwe box 4. Zo valt tevens te bereiken dat de belastingbesparing door aftrekposten in de bestaande box 1 ten hoogste 52 procent blijft. Minister Bos stelt dat een hoger tarief onze fiscale concurrentiepositie bedreigt. Zou het? Het hoogste tarief in Finland en Zweden is 56 procent, bij de zuiderburen bedraagt het 59 procent en in Denemarken zelfs 63 procent – cijfers voor 2005 uit de Tax Data Base van de OESO. In die landen gaat het economisch niet slecht. Bovendien hoeven hier werkzame buitenlandse managers slechts belasting te betalen over 70 procent van hun salaris. Bij een toptarief van 60 procent komt hun effectieve tarief dus uit op niet meer dan 42 procent.

Het is niet nodig naar fiscale wapens te grijpen. Naast de bestaande Wet op het minimumloon kan een Wet op het maximumloon worden ingevoerd. Bij de rijksoverheid geldt al een informeel beloningsplafond van bruto 162.500 euro per jaar – 130 procent van het salaris van de minister-president. Voor de marktsector valt te denken aan een bovengrens voor de totale arbeidsbeloning van 1,5 of 2 miljoen euro. Zij kan verder worden gekoppeld aan grootheden als omzet, winst en personeelsomvang.

Het staat niet vast dat ons land zich zodoende uit de internationale arbeidsmarkt voor toptalent zou prijzen. Op dit moment laat de raad van commissarissen headhunters doorgaans in te kleine kring naar bestuurders zoeken. Mocht het zittende management massaal in het buitenland aan de slag gaan – hoogst onwaarschijnlijk – dan staan in heel wat bedrijven talentvolle jonge honden klaar om het roer over te nemen voor een maatschappelijk meer acceptabel pakket arbeidsvoorwaarden. Zo nodig kan het wettelijke plafond eenvoudig worden opgetrokken. Onderzoek naar de voors en tegens van zo’n Wet op het maximumloon – die strookt met de christelijk-sociale inspiratie van het kabinet – verdient overweging.