Een monster met scoringsdrift

Christopher Zeller (22) is bezig aan zijn enige seizoen in de hoofdklasse. De Duitse hockeyer gaat terug naar zijn geboorteland om te studeren. „Ik wil niet stoppen en dan niets kunnen.”

Niet altijd zag het ernaar uit dat Christopher Zeller (22) een van ’s werelds beste hockeyers zou worden. Als puber had hij even genoeg van bal en stick. Zijn twee broers verlieten de lokale hockeyvereniging en hij trapte toch graag een balletje op het schoolplein en op straat, zoals al zijn vrienden in München. Bij voetbalclub TSV Forstenried schoot Zeller op doel zoals hij nu zijn strafcorners neemt: hard en gericht. Zeller schoot Duitsland vorig jaar eigenhandig naar de wereldtitel en streek dit seizoen neer op ’t Kopje. Vijfenveertig keer mikte hij voor Bloemendaal al raak in de hoofdklasse. Vanaf volgend jaar stort hij zich op zijn rechtenstudie. „Ik wil niet stoppen met hockey en dan niks kunnen.”

De jongste van drie zonen van een planoloog en een jongerenwerkster werd net als zijn broers op jonge leeftijd lid van hockeyclub MTV in München. Maar toen de vier jaar oudere David stopte met hockey en de anderhalf jaar oudere Philipp voor het grotere Münchner SC koos, was de lol eraf. „De familie viel uit elkaar, dus kon ik net zo goed gaan voetballen. Ik vond het even leuk”, vertelt Zeller in het clubhuis van Bloemendaal na een avondtraining. „Ik voetbalde op de nummer tien-positie. Vlak achter de spitsen. Dan kon ik doelpunten maken en hoefde ik verdedigend niet al te veel doen.”

Het was uit familiaire overwegingen dat Zeller na drie seizoenen terugkeerde naar het hockey. „Het voetbalteam viel uit elkaar, de trainer vertrok en mijn broer vroeg steeds maar of ik ook bij MSC kwam spelen. Hij lokte me al maanden door te zeggen dat ik een goede spits was en dat we konden meespelen om het Duitse kampioenschap.”

Intussen heeft hockey bij Zeller ten opzichte van voetbal aan schoonheid gewonnen. „Het is technischer, sneller en verder ontwikkeld. In voetbalwedstrijden gebeurt veel minder. Drie doelpunten in een wedstrijd is normaal. Dat is in hockeyduels wel anders.”

Zeker in wedstrijden waar Zeller meedoet. Hoewel hij als aanvaller in een voetbalteam niet onverdienstelijk speelde, is voor de spits die met de neus naar het doel speelt meer te halen in hockey. Als tiener maakte Zeller zijn debuut voor de Duitse nationale ploeg, waarmee hij in 2003 Europees kampioen werd en in 2006 de wereldtitel behaalde in Mönchengladbach. Zeller maakte in beide finales het winnende doelpunt en staat na 101 interlands op 76 treffers.

In eigen land gaven media, die bij het WK in eigen land plotseling uitpakten met hockeyverhalen, hem bijnamen die hij lachend wegwuift. Het ‘godsgeschenk’ of de ‘sensatie’ werden magische gaven voor het doel toegedicht. Hij werd ‘Der Bomber’ genoemd, naar de veel scorende Duitse voetbalinternational Gerd Müller. Lachend accepteerde de spits wel de koosnaam die ploeggenoten bij Bloemendaal hem gaven: het monster.

Zeller, die eerder de ‘gebruikelijke’ aanbiedingen van clubs uit de Duitse en Spaanse competitie naast zich neer had gelegd, kwam bij Bloemendaal terecht na een telefoontje van coach Michel van den Heuvel. De club uit de kustplaats had in de zomer de Australische topaanvaller Jamie Dwyer zien vertrekken. „Als je daarvoor wordt gevraagd, ga je wel nadenken.”

Obstakel was de rechtenstudie die Zeller volgt in München. Maar na een lunch met de voorzitter en de spelers besloten hij en broer Philipp, die verdediger is, de overstap te maken voor één seizoen. „Sport en mijn opleiding zijn moeilijk te combineren. Ik studeer thuis en heb toestemming gekregen een jaar niet op school te komen om hier te hockeyen.”

Bloemendaal is precies wat Zeller had gehoopt. „Het is het beste team waar ik heb gespeeld. Ik heb hier veel geleerd, vooral van medespelers. Nederland heeft de beste competitie ter wereld, denk ik. Op twee ploegen na zijn alle teams in de hoofdklasse van het niveau van de beste vier in Duitsland. Het is professioneler en het spel is technischer, sneller en aanvallender dan ik in Duitsland gewend was.”

De verdedigers zijn volgens Zeller van hetzelfde kaliber als in zijn thuisland: harde werkers die weinig ruimte weggeven. Na twintig wedstrijden in het oranje shirt met rugnummer 19 staat de teller van de doelpuntenmachine op vijfentwintig benutte strafcorners, negentien velddoelpunten en een treffer uit een strafbal. Met het record in de hoofdklasse van Ties Kruize (57 doelpunten in 18 duels in het seizoen 1981-1982) is Zeller niet bezig. „Natuurlijk niet. Hij speelde in een hele andere tijd en had minder wedstrijden.”

Waar Zeller de strafcorners vooral ongenadig hard neemt – bij metingen sloeg hij met een snelheid van 169 kilometer per uur – maakt de spits zijn velddoelpunten vooral op kracht. De Duitser ontvangt de bal nogal eens vlak over de middenlijn om vervolgens op avontuur te gaan. Dat ziet er niet altijd even mooi uit, maar eenmaal op weg naar het doel is hij moeilijk te stuiten. En in rommelige situaties voor het vijandelijke doel is het vaak Zeller die zijn stick tegen de bal zet.

„Ik ben geen Nick Meijer die overal prachtig doorheen slalomt en die trucs met de bal doet waar ik alleen maar van kan dromen. Bij mij is het meer instinct, als ik het zo kan noemen. Ik denk er niet over na. Het gebeurt gewoon. Ik sta vaak goed, ben fysiek sterk voor een hockeyer en heb de wil om te scoren. Volgens mij heb ik ook genoeg oog voor medespelers. Dat hebben lang niet alle spitsen.”

De schaarse kritiek langs de lijn bij Bloemendaal, vorige week zondag bij het thuisduel tegen Oranje Zwart (4-1), blijft beperkt tot opmerkingen over „luiigheid” en „egoïsme” dat meer doelpuntenmakers wordt verweten. Een vaste bezoeker van het kunstgrasveld op ’t Kopje rept van „een van de besten ter wereld, als hij zijn dag heeft”.

Zeller laat zich niet graag in die bewoordingen uit. „Om te beginnen denk ik niet dat ik een van de besten ter wereld ben. En wat is het criterium om daarbij te horen? Je kunt de beste vijfentwintig nemen en de beste honderd. Daarbij heeft iedereen zijn eigen mening over wanneer je een goede speler bent. Laat ik het hierbij houden: iedereen weet dat Teun de Nooijer de beste ter wereld is. Met hem spelen is een onvergetelijke ervaring. Als hij een slechte dag heeft, speelt hij nog beter dan de rest. Teun doet altijd iets verstandigs met de bal. Hij laat mij beter spelen.”

Met De Nooijer als dirigent, Zeller als afmaker en de derde Duitser Tibor Weissenborn als aanjager gaat Bloemendaal volgende maand als onbedreigde koploper de play-offs in. Coach Michel van den Heuvel hoopt dat zijn spits net zo boven zichzelf uitstijgt als in de finale van het wereldkampioenschap tegen Australië (4-3). De laatste tijd oogt de rustige Duitser, die in de kleedkamer niet het hoogste woordt heeft, op het veld wat minder scherp dan in het begin van de competitie.

Zeller: „Als je op een gegeven moment zeker weet dat je als eerste eindigt in de competitie zijn de resterende wedstrijden vervelend. Toch hebben we veel gewonnen de afgelopen wedstrijden. Maar in de play-offs zullen we zien of de rest van het seizoen bullshit was of dat wij echt het beste team zijn.”

Gevraagd naar welke ploeg hij beschouwt als voornaamste titelconcurrent noemt Zeller Rotterdam. Opvallend, want de Duitser scoorde liefst zeven keer in een onderling competitieduel met de ploeg van coach Robbert-Paul Aalbregt, uitgerekend toen het VPRO-programma Holland Sport een item kwam maken over de spits. „Dat was erg grappig. Vooraf kreeg ik te horen dat ze zouden filmen. Ik dacht: hopelijk kan ik er eentje maken. Tijdens de wedstrijd was ik vergeten dat ik werd gevolgd. Na afloop werd ik er in de kleedkamer door teamgenoten weer aan herinnerd.”

De eenzame topscorer van de hoofdklasse speelt volgend seizoen opmerkelijk genoeg in de Duitse tweede divisie bij Rot-Weiss Köln. De bescheiden provincieclub wist ook Philipp Zeller, Tibor Weissenborn en aanvoerder Timo Wess van Die Mannschaft te strikken. Sportieve motieven hebben de internationals niet voor de gezamenlijke overstap. Zeller: „Normaal gesproken worden we in het eerste jaar gemakkelijk kampioen. Maar Keulen zorgt voor een personal coach per speler voor begeleiding bij onze studie. Ik heb nog drie tot vijf jaar te gaan en kan in die tijd via de club werkervaring opdoen bij een advocatenkantoor.”

Het sportieve doel dat Zeller rest is een olympische gouden medaille. „Ik ben wereldkampioen geworden en was derde bij de Olympische Spelen van 2004 in Athene. Goud is eigenlijk het enige dat nog ontbreekt.” En de nieuw opgezette Europese clubcompetitie Euro League? „Nee, dat kan me niet schelen.” Zeller is niet bang in Keulen snel achteruit te gaan. „We hebben een apart trainingsschema van bondscoach Markus Weise en daarnaast haal ik het niveau vooral uit de gezamenlijke trainingen met de nationale ploeg.”

De Olympische Spelen van 2008 in Peking lijken voor Zeller zijn laatste kans. „Ik word dit jaar drieëntwintig, maar dit is mijn zesde jaar als international. Mijn plan is over drie of vier jaar te stoppen bij het nationale team. Dat het hard is voor je lichaam is oké, maar het heeft me zoveel tijd gekost. Natuurlijk is het leuk en heb ik er veel voor teruggekregen. Ik ben blij dat dit mijn leven is, maar ik heb de laatste jaren niet veel tijd kunnen doorbrengen met vrienden van buiten het hockey. Ik kan weinig uitgaan en niet op vakantie.”

Toch zou Zeller het liefst nog een jaar bij Bloemendaal blijven. Maar een maatschappelijke carrière heeft zijn prioriteit. „Profhockeyer kun je tot ergens in de dertig zijn. Maar wat moet ik dan als ik geen opleiding heb? Dan moet je in je sportcarrière wel echt goed hebben verdiend. Daarvoor is het voor mij al te laat.”