Denk eerst aan je kinderen voordat je jezelf wilt ontplooien

De overheid moet zich bezinnen over de vraag hoe goede gezinnen door haar kunnen worden bevorderd. Wat nodig is, is een doordachte gezinspolitiek. Want hoe meer goede gezinnen we hebben, des te minder werk de kinderbescherming heeft. Dat wil zeggen: des te minder kinderleed er is.

Illustratie AFP Balancing Act Jupiterimages

Andreas Kinneging

hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden.

‘Kinderen hebben recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid. De ouders hebben de verantwoordelijkheid om dit recht te realiseren. Wanneer ze dit niet naar behoren doen, is het de plicht van de overheid om maatregelen te nemen.” Aldus de aanhef van de concept-Memorie van Toelichting bij het Voorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de herziening van de kinderbeschermingsmaatregelen, dat op dit moment op ambtelijk niveau wordt voorbereid.

Het idee dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft in de opvoeding van de kinderen en als ultimum remedium de ouders zelfs hun ouderlijke macht – tegenwoordig officieel ‘ouderlijk gezag’ geheten – kan ontnemen, is ten onzent algemeen aanvaard en vanzelfsprekend. Niemand kijkt er van op of zet er vraagtekens bij.

Het idee is, historisch en geografisch gezien, allerminst vanzelfsprekend. Integendeel. De overheersende gedachte in de meeste tijden en op de meeste plaatsen is dat de overheid niets of nagenoeg niets te maken heeft met de manier waarop ouders hun kinderen opvoeden. Ik roep hier slechts in herinnering dat de vaderlijke macht bij de Romeinen – de patria potestas – het ius vitae necisque omvatte: het recht op leven en dood van de kinderen. Elders was dat niet principieel anders. Toen niet, later niet en nu ook nog niet.

In de meeste niet-westerse landen geldt nog altijd dat de overheid niets of nagenoeg niets te maken heeft met de manier waarop ouders hun kinderen opvoeden. De overheid ziet het niet als haar taak in te grijpen en de ouders zouden een dergelijk ingrijpen zien als een ongehoorde inbreuk op hun fundamentele rechten. Het opvoeden van de kinderen maakt, vanuit traditioneel gezichtspunt, deel uit van de privésfeer. Een overheid die zich daarmee bemoeit, maakt inbreuk op die privésfeer en maakt zich daarmee schuldig aan tirannieke machtsuitoefening. De anno nu in Nederland en andere westerse landen algemeen aanvaarde gedachte dat de overheid op dit terrein mag en zelfs moet interveniëren, breekt radicaal met de opvattingen dienaangaande die, óók in het Westen, traditioneel golden.

De traditie neemt de inbedding van het individu in de groep in het algemeen en het kind in het gezin in het bijzonder als gegeven aan. Dat in die verbanden sprake kon zijn van een situatie die men niet anders dan als tiranniek en onderdrukkend kan omschrijven, was een denkbeeld dat niet opkwam. En dat is niet omdat men niet wist wat tirannie en onderdrukking zijn, maar omdat men een geheel andere, veel minder fijnbesnaarde visie had op de verhouding van het individu tot de groep en het kind tot gezin en familie. Het is tekenend, in dit verband, dat het gewone Griekse woord voor huisvader despotes was.

Pas door de invloed van de Romantiek komt in de 19de eeuw geleidelijk aan onze hedendaagse gevoeligheid op voor de kwetsbaarheden van het individu vis-à-vis de hem omringende sociale verbanden, gezin en familie incluis. Dan ontstaat de gedachte waarmee we begonnen zijn: dat kinderen rechten hebben, dat de ouders de verantwoordelijkheid hebben om die rechten te waarborgen en dat, wanneer ze dit niet naar behoren doen, het de plicht is van de overheid om maatregelen te nemen. Dat is de nu gangbare manier op de zaak te benaderen.

Het is verre van mij te suggereren dat ze verkeerd is en naar de schoothoop van de geschiedenis verbannen moet worden. Maar ze schiet mijns inziens wel ernstig tekort en moet worden aangevuld met een geheel andere benadering. Want de gangbare benadering is zuiver reactief. Het aantal gezinnen dat het niet goed doet en dus ook het aantal kinderen dat in de verdrukking raakt, is zo gezien voor de overheid, in het bijzonder de kinderbescherming, een extern gegeven.

Daarop baseert ze reactief haar beleid, precies zoals voor andere hoeken van het ministerie van Justitie de criminaliteitscijfers een extern gegeven zijn, waarop deze reactief hun beleid baseren. Meer criminaliteit? Meer cellen en meer blauw op straat. Zo ook: meer kinderen in de verdrukking? Meer kinderbeschermingsmaatregelen als ondertoezichtstelling en ontzetting uit de ouderlijke macht.

Dit is wat de Duitsers kurieren am Symptom noemen. Ook belangrijk natuurlijk, maar uit de medische wereld weten we dat genezing aandacht voor en een aanpak van de oorzaken vereist. Wie écht de criminaliteitscijfers omlaag wil brengen, moet zich afvragen wat de oorzaken zijn van criminaliteit en, voor zover mogelijk, dáár iets aan proberen te doen. Meer blauw op straat en meer cellen zijn belangrijk om de symptomen aan te pakken, maar volstrekt onvoldoende om het probleem op te lossen.

Net zo geldt voor wie écht iets wil doen aan het kinderleed, niet kan volstaan met onder toezicht stellen, uit de ouderlijke macht ontzetten, of wat dies meer zij, hoe belangrijk dat ook is, maar zich af moet vragen wat de oorzaken zijn van slecht functionerende gezinnen en wat daaraan te doen is. Wie écht iets wil doen, kortom, moet niet slechts reactief zijn, maar ook proactief en de oorzaken waar mogelijk bestrijden en wegnemen.

Dit betekent in concreto dat de overheid zich dient te bezinnen over de vraag hoe goede gezinnen door haar kunnen worden bevorderd. Wat nodig is, is een doordachte gezinspolitiek. Want hoe meer goede gezinnen we hebben, des te minder werk de kinderbescherming heeft. Dat wil zeggen: des te minder kinderleed er is.

Natuurlijk kun je goede gezinnen alleen maar bevorderen, als je weet wat goede gezinnen zijn. Hier is een voorstel tot een definitie. Een goed gezin is een gezin dat een veilige en liefdevolle thuishaven biedt aan het kind. Het is een gezin waarin de ouders de tijd hebben en nemen voor het kind om het onder hun leiding en begeleiding op te voeden tot een verantwoordelijk en sociaal mens, die de zorg kan en wil dragen voor zichzelf en zijn naasten en een steentje kan en wil bijdragen aan het nut van het algemeen.

Zo’n gezin, dat zal duidelijk zijn, is niet vanzelfsprekend. Het bestaat alleen als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Welke zijn dat?

Het is verreweg het beste als kinderen opgroeien bij hun biologische vader en moeder.

Idealiter bestaat het gezin in de kern dus uit een man, een vrouw en hun biologische kinderen. Dat wil niet zeggen dat anderen – oma en opa, ooms en tantes e.d. – niet ook in hetzelfde huis zouden moeten of kunnen wonen. Zoals bekend is dit een groot deel van de geschiedenis veelvuldig het geval geweest. Deze constellatie heeft zelfs een aantal voordelen ten opzichte van de nuclear family. Maar zo’n Großfamilie kan de kleinere eenheid nooit vervangen.

De biologische band tussen ouders en kinderen is van zo groot belang, omdat ze de allersterkste band is. Zoals Aristoteles het uitdrukt: „Ouders beschouwen hun kinderen als deel van henzelf”. Alleen daarom al willen ze gewoonlijk het beste voor hen.

Natuurlijk, er zijn uitzonderingen, meer dan ons lief is zelfs. Het is zeker geen wet van Meden en Perzen. Maar in het algemeen kan men toch wel stellen dat de kans op een veilige en liefdevolle jeugd het grootst is voor kinderen die bij hun biologische ouders wonen. Noch ‘de nieuwe vriend van mama’, noch ‘de nieuwe vriendin van papa’ benadert doorgaans de zorg en aandacht die de echte papa en mama geneigd zijn aan de kinderen te geven. Integendeel. Er is onderzoek dat aantoont dat de kans dat ‘mama’s nieuwe vriend’ de kinderen mishandelt vele malen zo groot is als de kans dat papa het zelf doet. En wat de ‘nieuwe vriendin van papa’ betreft: het is niet voor niets dat de uitdrukking ‘stiefmoederlijk behandelen’ zo’n negatieve connotatie heeft.

Dit betekent dat alle andere gezinsvormen ten principale minder goed zijn. Die bergen allemaal verhoogde risico’s in zich voor het welzijn van het kind. Dat geldt voor adoptiegezinnen. Veel vaker dan in biologische gezinnen ontstaan hier problemen met de kinderen. Het geldt voor gezinnen waarin beide ouders van hetzelfde geslacht zijn en dus één van de ouders niet de biologische ouder. En het geldt ook en vooral voor zogeheten eenoudergezinnen, omdat daarin, alleen al door de financiële en logistieke problemen, zowel de ouder als de kinderen over het algemeen niet welvaren. Kinderen in je eentje opvoeden, is eigenlijk niet te doen. Het lijkt me goed dat maar eens ronduit te zeggen.

Een gezin moet een gezin blijven. Dat wil zeggen dat de ouders bij elkaar blijven, in ieder geval tot de kinderen volwassen zijn, maar liefst tot de dood hen scheidt.

Omdat het zo sterk de voorkeur verdient dat kinderen door hun beide biologische ouders worden grootgebracht, is echtscheiding dus een drama van de eerste orde.

Hoewel vrijwel iedereen dat natuurlijk al wist, komt het ook uit onderzoek duidelijk naar voren. Het kan nu echt niet meer worden ontkend. Echtscheiding is voor kinderen psychisch erger dan het overlijden van één van hun ouders. Ze zadelt de meeste kinderen voor de rest van hun leven op met een beurse ziel. De kans dat ze het verkeerde pad op gaan, wordt opeens veel groter. Ook als ze allang volwassen zijn, hebben ze meer moeite dan anderen hun draai te vinden en zich definitief aan een ander te binden.

‘Maar als de ouders altijd maar ruzie maken, is het toch beter voor de kinderen dat ze uit elkaar gaan?’ Het korte antwoord op deze (retorische) vraag is: neen. Zelfs als ouders iedere dag ruzie maken, willen kinderen nog altijd liever dat de ouders bij elkaar blijven. Er is echter een langere en betere reactie op de vraag. Want het is natuurlijk van groot belang dat de ouders niet voortdurend ruziënd met elkaar over straat rollen. Voortdurende echtelijke ruzie verpest de sfeer in huis en is een buitengewoon slecht voorbeeld voor de kinderen.

Het is voor iedereen het beste als het huwelijk van de ouders overwegend harmonieus is en de echtelieden tevreden zijn met elkaar.

Een harmonieus huwelijk; dat gaat meestal niet vanzelf. Overal waar mensen met elkaar te maken hebben, ontstaan vroeg of laat meningsverschillen, al was het maar omdat iedereen weer net een beetje anders is en dus net een beetje anders tegen de dingen aankijkt. Als je zo dicht op elkaar zit als in een huwelijk en zo veel met elkaar deelt als in een huwelijk, zijn meningsverschillen dus helemaal onvermijdelijk. Zeker in de eerste jaren van het huwelijk, als de partners nog niet zo goed op elkaar ingespeeld zijn en elkaar nog niet zo goed kennen als later dikwijls het geval is. Waar het op aan komt is de goede hantering van deze meningsverschillen, zodat ze niet tot permanente disharmonie en ontwrichting van het huwelijk leiden.

Dat vereist het een en ander. De bereidheid om naar de ander te luisteren en zijn of haar opmerkingen en klachten serieus te nemen. Het besef dat de ander misschien wel eens gelijk zou kunnen hebben. De bereidheid om compromissen te sluiten en soms helemaal toe te geven, waar eensgezindheid niet mogelijk blijkt. De bereidheid op verzoek van je echtgenoot je leven deels anders in te richten. Enzovoort. Allemaal kwaliteiten – of beter: deugden – die veronderstellen dat we onszelf wat minder centraal stellen dan we van nature wellicht geneigd zijn.

Een harmonieus huwelijk maakt het gezinsleven veel makkelijker. Maar een harmonieus huwelijk is niet voldoende. Want er moet ook tijd in de kinderen worden gestoken, veel tijd. Kinderen hebben ontzettend veel liefhebbende aandacht nodig. Niet van ouders die hen naar de ogen kijken en hun niets kunnen weigeren – dat is apenliefde – , maar van ouders die hen zowel met gebod en verbod als met raad en daad terzijde staan om hen te leren de vele klippen van het bestaan te omzeilen en de kunst van het leven – de ars vivendi – machtig te worden.

Er moet natuurlijk gewerkt worden, anders is er geen brood op de plank. Maar niet te veel. Zeker niet allebei fulltime. En liefst één van beiden helemaal niet.

Deze echte aandacht voor kinderen kan niet voldoende gegeven worden als de tijd samen is verschrompeld tot luttele uren per week, omdat beide ouders een veeleisende baan hebben die het grootste deel van hun tijd en energie opslokt. De kinderen worden dan in feite opgevoed door de begeleidster van de crèche, de juffen van school en de voor- en naschoolse opvang. En door de peer group, niet te vergeten. Het is een understatement te zeggen dat de kwaliteit van die opvoeding het lang niet haalt bij die van aandachtige, geïnteresseerde ouders.

De conclusie is dat werk, een betaalde baan, haaks staat op het opvoeden van kinderen; laten we daar geen doekjes om winden. Ieder uur op het werk, kan niet besteed worden aan de kinderen. Niet voor niets was de generatie van onze ouders en grootouders blij toen het loonzakje van vader eindelijk zo goed gevuld was dat moeder kon stoppen met werken en zich kon wijden aan de kinderen. We kunnen dat beter niet vergeten. Werk is wel belangrijk, maar er zijn belangrijker dingen in het leven: de kinderen horen daar zeker toe.

Hoe verhoudt dit alles zich tot de cultuur en publieke opinie, zoals die zich heeft ontwikkeld sedert het eind van de zestiger jaren van de vorige eeuw? Slecht. Het gezin is geen thema meer. Dat we nu een minister voor gezinszaken hebben weerspiegelt zeker geen brede consensus dat het gezin bijzondere aandacht behoeft. Integendeel, de meerderheid van de bevolking, in Nederland maar ook elders in het Westen, vindt dat het je druk maken over het gezin naar spruitjes riekt. Spreken over het gezin is min of meer taboe. Probleembesef ontbreekt ten enenmale.

Kinderen opvoeden kan, zo meent men, in principe iedereen even goed. Het hangt alleen maar af van je instelling. Er is geen reden aan te nemen dat papa het beter zou doen dan ‘de nieuwe vriend van mama’, of dan de juf van de naschoolse opvang.

Echtscheiding, veertig jaar geleden nog een schande, is zo langzamerhand normaal geworden. Geen volwassene kijkt er nog van op of vraagt zich af of iemand er schuld aan draagt. ‘Het ging gewoon niet meer’, zegt men dan, of ‘het ging te veel ten koste van mezelf’. Luisteren naar elkaar, inbinden, compromissen sluiten, toegeven, kortom, jezelf opzij zetten en dienstbaar maken: het wordt allemaal gezien als slecht, want het staat haaks op de heersende leer van het jezelf zijn en jezelf ontplooien.

En dan het werken ten slotte. Welke boodschap daarover zet de toon: gij zult werken! Wat je verder doet, moet je zelf weten, als je maar werkt. Want als je niet werkt tel je niet mee. ‘Werk, werk, werk’ was zelfs het officiële adagium van de recente kabinetten. Werk als panacee. Was het maar zo.

Het resultaat is wat we niet anders kunnen noemen dan een crisis in het gezinsleven, een crisis die veroorzaakt is door zojuist geschetste nieuwe ideeën die zo’n veertig jaar geleden breed ingang hebben gevonden. Natuurlijk, er zijn nog altijd veel goed functionerende gezinnen. God zij dank, want anders zag de samenleving er nog een tikkeltje anders uit. Maar die gezinnen hebben het gevoel dat ze tegen de stroom in moeten roeien en dat de maatschappij en de politiek wat zij proberen op te bouwen eerder afbreken dan ondersteunen.