De monsterkatapult

1391

Is dat wel zo verstandig, in deze tijd een boek te schrijven over de geschiedenis van de katapult? Voor je het weet hebben een paar halvegaren een exemplaar uit de boekhandel gestolen en een paar dagen later melden de media de eerste voltreffers. Maar aan de andere kant: als je bij het schrijven met iedere gek ter wereld rekening moest houden, kwam er geen woord meer op papier. Dit boek, The Catapult: A History is geschreven door Tracey Rihll, het is welwillend kritisch besproken in een van de meest ordelievende weekbladen, The Economist (31 maart). Bovendien neem ik aan dat dit rubriekje niet door de kluts kwijtgeraakte pubers wordt gelezen. Dit bij elkaar geeft me voldoende rechtvaardiging om hier verder te gaan over de katapult.

In de hogere klassen van de lagere school begonnen de jongens elkaar te beschieten met behulp van de eenvoudigste katapult. Je nam een stukje papier van acht bij acht tot tien bij tien centimeter, rolde dit diagonaalgewijs stevig op en vouwde het doormidden. Je had al een elastiekje. Dit spande je tussen duim en wijsvinger, legde het V-vormige rolletje papier tegen de rubber bandjes, trok het projectieltje aan de uiteinden naar je toe en liet los. Met een snelheid die je zelf verraste vloog het op het doel af. Het bord bijvoorbeeld waar het een harde tik gaf. Of het achterhoofd van een jongen in de voorste bank die zichtbaar schrok. De schutter smaakte de diepe voldoening die veroorzaakt wordt door het plaatsen van een voltreffer.

Zoals dat bij alle wapenfabrikanten het geval is, wordt de maker van de katapult dan aangeraakt door de eerzucht van de verbetering en de vervolmaking. In de volgende fase zocht je naar een kleine, stevige V-vormige tak van een boom. Zo’n tak is veel moeilijker te vinden dan je misschien zou denken. Bomen groeien niet op menselijke maat. Had je eindelijk het gewenste stukje hout gevonden en tot het gewenste formaat gezaagd, dan nam je een fietsbinnenband, knipte daar een reep uit, bevestigde die met de uiteinden aan de vork en je had een aanmerkelijk krachtiger katapult dan die van het elastiekje.

Maar het kon beter. Sommige jongens hadden een katapult met een ‘leertje’. De reep van de fietsband werd in tweeën geknipt, en tussen die twee helften naaide je moeder een stukje leer dat van een oude schoen afkomstig was. Door dit leer had je beter vat op het projectiel, een mooi rond kiezelsteentje, dat we destijds een ‘zeilknol’ noemden. Met een gewone knikker ging het nog beter, of met een grote knikker, een ‘stuiter’.

Toen ik een jaar of zestien was, had je geen hangjongeren maar wel jeugdbendes die elkaar met katapulten beschoten. De bende waartoe S. Montag hoorde, besloot toen het absolute wapen te maken. We bevestigden een houten balk van een meter of drie op het onderstel van een kinderwagen. Aan het ene eind van de balk werd een V-vormig stuk ijzer getimmerd waaraan een hele fietsbinnenband. Aan het andere eind was een fietszadel en daartussen een dwarsplankje, de voetensteun. De Monsterkatapult.

Het ding was klaar. Tijd voor het eerste proefschot. We brachten onze Dikke Bertha in stelling in een stil laantje. Aan de ene kant was eerst een sloot, dan een onbebouwd stuk land dat weer grensde aan een rijtje achtertuinen en ten slotte kwamen de achtergevels van de huizen. Montag mocht het eerste proefschot lossen. Hij zette zijn voeten op het dwarsplankje, legde een flinke zeilknol in de binnenband, leunde zo ver mogelijk achterover en liet los. Even later klonk er een ver glasgerinkel. Een 150 meter verderop was een ruit aan scherven gegaan. Nu, terwijl ik op het punt sta dit op te schrijven, schaam ik me een beetje, maar de waarheid moet gezegd worden. Bij de eigenaars van de Monsterkatapult ging gejuich op. En daarna werden we gevreesd bij iedere jeugdbende.

Het boek van Tracey Rihll is nog niet in de Nederlandse winkel. Ik heb het besteld. Voorzover ik uit de bespreking in The Economist kan opmaken, wordt er de hele geschiedenis van de oude belegerings- en aanvalsmachinerie in behandeld, zeer zorgvuldig. De boekbespreker heeft eigenlijk maar twee klachten: de illustraties noemt hij ronduit zwak en er is geen overzichtelijke index. En dat zijn juist in zo’n boek de bestanddelen die de katapultmens het hardst nodig heeft.

De bespreking eindigt als volgt: „Een herziene druk zou tot de verplichte inhoud van iedere schoolbibliotheek moeten horen. Op die manier zouden zelfs sommige leerlingen ertoe kunnen worden gebracht, zich weer eens te verdiepen in die stoffige en verwaarloosde boeken die eens werden beschouwd als horend tot de grondslagen van een behoorlijke opvoeding.”

Waarvan acte.