De denkfout van Europafans

Je doet het niet voor je plezier, maar er hangt tegenwoordig iets van af: de afgelopen tijd woonde ik een paar debatten over Europa bij. Alle sprekers op die bijeenkomsten spraken hun grote zorg uit, gaven toe dat er crisis in Europa is. De een was hoopvoller dan de ander; waar de ene spreker een angstwekkend neerwaartse spiraal constateerde, zag de andere juist een veelbelovend lichtpuntje. Maar op het moment dat het erop aankwam, zag je pleitbezorger na pleitbezorger – het waren allemaal mensen die nauw bij het project ‘Europa’ betrokken waren – met een harde klap tegen een onzichtbare glazen wand lopen. Hoe de burger erbij te betrekken? Hoe de kloof te dichten? Wat te doen met het wantrouwen en de afkeer, het onbegrip en de desinteresse?

Nóg beter uitleggen, piepte de een, de burger nog beter duidelijk maken dat Europa van hem is, dat zijn leven allang verrijkt is door de voordelen van een verenigd Europa. Europa is noodzaak, Europa is realiteit, laat de politiek dat nou eens één keer goed uitleggen. Niks meer uitleggen, bromde de ander, de burger snapt het toch niet – en dat hoeft ook helemaal niet, hij weet toch ook niks van de financiële markt of satellietverbindingen. Europa is altijd een project van de elite geweest, het enige wat we hoeven doen is ophouden te zeggen dat dat niet zo is. En vooral geen referenda meer organiseren, je kunt mensen beter niet ja of nee laten zeggen tegen dingen die ze toch niet begrijpen.

In de discussies kwamen alle innig gekoesterde clichés weer voorbij – Europa was gewoon niet democratisch genoeg, politici geven Europa de schuld van alles wat er misgaat, wanneer je in de Verenigde Staten bent, voel je je wél ineens heel Europees, we moesten Europese symbolen hebben, een vlag, een lied – en Europese helden natuurlijk, konden we niet even een paar Europese helden noemen? Men struikelde over elkaar in positieve geluiden om de stemming erin te houden. Maar niemand stelde de hamvraag: waarom heeft de burger – of, beter, waarom hebben zoveel burgers geen trek in Europa? Wat staat de nee-stemmers nu precies tegen?

Om die vragen te beantwoorden moet je het niet over Europa hebben, maar over nationalisme. De sprekers tijdens de Europadebatten spraken over heroplevend nationalisme en populisme alsof er iets heel vies uit de grond was komen opborrelen – iets wat zo snel mogelijk ongedaan moest worden gemaakt. Maar wat het nu precies was, waar het eigenlijk vandaan kwam, die vragen werden even achteloos als behendig over het hoofd gezien.

Het pasklare antwoord is: angst. De Nederlandse burger is bang geworden voor de grote boze buitenwereld, hij heeft resoluut de luiken dichtgegooid en houdt zich nu het liefst bezig met zaken die even heel belangrijk lijken, maar nergens over gaan – zoals de hartklep van Willem Holleeder en of je wel mag zeggen dat Peter Schat zijn vrouw zevenentwintig jaar geleden van een rots heeft geduwd. Wie de grote vragen niet aankan, vlucht in nietszeggendheid. Wie te veel in zichzelf gekeerd raakt, verliest het zicht op de buitenwereld.

Voor die angst als verklaring is veel te zeggen, net als voor ordinaire domheid. In een televisieprogramma zag ik een tijdje geleden de Tien-presentatrice Bridget Maasland, ons jarenlang aangekondigd als de nieuwe Sonja Barend, die een boek van een Amerikaanse soldaat in Irak kwam aanprijzen. De soldaat had bij een inval in een woonhuis aldaar een moederloze puppy aangetroffen, had het beestje meegenomen naar de VS en nu een boek geschreven over hoe die hond zijn leven had veranderd. Bridget kon het boek niet warm genoeg aanbevelen, want een deel van de opbrengst van de verkoop ging naar het door haar opgerichte puppy-fonds. Wat er met de inwoners van het Iraakse huis was gebeurd, daar repte Bridget niet over, en ook niet over de honderdduizenden doden, ze had het veel te druk met haar hondjes – en niemand aan de televisieborreltafel die haar daar op wees. Ik begreep meteen waarom een onderzoek naar de Nederlandse betrokkenheid bij de inval in Irak geen enkele zin heeft.

Maar je maakt het de panikerende pleitbezorgers van een verder verenigd Europa wel erg gemakkelijk wanneer je het falen van de Europese gedachte alleen afschuift op angst en desinteresse. De Europese Unie, opgericht na de Tweede Wereldoorlog, moest een einde maken aan iedere vorm van nationalisme, we hadden immers gezien wat er van kwam. Alle landen van de Unie waren gelijk, de vlaggen in Straatsburg hangen neutraal op alfabetische volgorde, alle talen moeten gesproken kunnen worden. De laatste jaren is het accent verschoven, men heeft ingezien dat Europa als een broederschap van oneindige wederzijdse welwillendheid maar een slappe bedoening is – nu zou het mooi zijn als Europa een soort van wereldmacht zou worden, met een sterke economie en een krachtig buitenlands beleid. Europa zou zich als een staat moeten gedragen. Maar de burger identificeert zich niet met dat Europa, integendeel. Naarmate Europa en de rest van de wereld economisch en cultureel steeds sterker met elkaar vergroeien, richt men zich steeds meer op het eigene, zoekt men het steeds dichter bij huis.

De denkfout die de Europafans maken, is dat het een het ander zou uitsluiten. In plaats van krampachtig zoeken naar iets wat alle Europeanen zouden kunnen delen – een taal! een symbool! een vlag! – kun je beter ruimte maken voor dat verlangen naar eigenheid. Dat herontdekte nationalisme heeft onmiskenbaar folkloristische trekjes (de VOC-mentaliteit, Michiel de Ruyter), en zeker ook een paar gevaarlijke, maar die zullen getemperd worden door het bijbehorende besef deel uit te maken van een groter geheel dat zich niet laat ontkennen. Nationalisten en populisten scoren zolang ze worden tegengewerkt, zolang ze stuiten op die smetvrees van een onbegrijpende elite die ieder zweem van nationalisme als een vorm van verraad en iedere vorm van regionalisme als een vorm van achterlijkheid beschouwt. Het moment dat er van bovenaf ruimte wordt gemaakt voor het verlangen naar een kleine, herkenbare leefwereld binnen een grotere wereld, binnen een verenigd Europa, binnen een geglobaliseerde wereld, zullen de populisten aan kracht verliezen. Wil Europa uit zijn impasse raken dan moet bewust ruimte gemaakt worden voor krachten die zich ogenschijnlijk van Europa afkeren. Dat is de paradox – een schijnbare tegenstelling dus – die het begin van een uitweg biedt.