Aminozuur maakte de kikkererwt populair bij vroege landbouw

De kikkererwt, een van de zeven basisgewassen uit de vroege landbouw, is hoogstwaarschijnlijk een belangrijk oogstgewas geworden omdat het een belangrijke bron is van het cruciale aminozuur tryptofaan. Israëlische archeologen en landbouwspecialisten hebben ontdekt dat de gecultiveerde kikkererwten ongeveer drie maal zoveel tryptofaan bevatten als de wilde variant (Journal of Archaeological Science, augustus).

De belangrijkste voordelen van de eerste landbouwgewassen (de tarwesoorten eenkoorn en emmer, haver en de peulvruchten erwt, linzen, linzewikke en kikkererwten) boven andere gewassen waren hoogstwaarschijnlijk goede houdbaarheid en smaak (alle vroege gewassen zijn gemakkelijk een jaar lang gedroogd te bewaren zonder smaakverlies).

Maar de kikkererwt had altijd iets ongewoons ten opzichte van de andere. De wilde voorganger Cicer reticulatum is vrij zeldzaam in het Midden-Oosten en was niet zo gemakkelijk te kweken. Waarom zo veel moeite gedaan? De boeren die kikkererwten aan hun gezinnen te eten gaven, moeten de gunstige effecten gemerkt hebben, denken de onderzoekers. De vrouwen werden vruchtbaarder, de kinderen groeiden voorspoedig op en door het effect op de serotonineproductie ontstond sterker zelfvertrouwen bij iedereen die er veel van at. Alleen zo kan verklaard worden dat het tryptofaan zo sterk steeg in de gecultiveerde kikkererwt. De boeren moeten er bewust op geselecteerd hebben (op de gevolgen, van aminozuren zelf wisten ze natuurlijk niets). En alleen zo kan verklaard worden dat het moeilijke gewas toch gecultiveerd werd. Het werd bijvoorbeeld als landbouwgewas omgebouwd naar een wintergewas, uniek in de geschiedenis van de landbouw, omdat het in de zomer te vaak ten prooi viel aan de schimmel Didymella rabiei, met een gemiddeld veel lagere (maar zekere) opbrengst als gevolg.

Het onderzoek van Kerem c.s. is het eerste waarbij de voedingswaarde van een gewas als belangrijkste reden voor domesticatie wordt aangewezen – alleen het opvallend lagere eiwitgehalte van de gedomesticeerde tarwe speelt wel eens een rol in discussies over de vroege landbouw.

Hun analyse van de domesticatie van de kikkererwt werpt ook een belangrijk licht op de selectie van andere oogstgewassen, aldus Kerem c.s. Volgens hen was die selectie geen toeval, zoals vaak wordt beweerd. De selectie was ‘extreem wijs’ en ‘gebaseerd op een rijke en diepe kennis van planten en hun ecologie’. Verder merken ze op dat de kikkererwt waarschijnlijk echt een positieve keuze was, om de gunstige gevolgen, en niet een soort wanhoopspoging om maar meer voedsel te produceren, zoals de landbouw ook wel eens wordt voorgesteld. Hendrik Spiering