Waar sta jij met jouw taal?

De genomineerden voor twee poëzieprijzen bestrijken het brede spectrum van experimenteel tot aaibaar.

Morgen zal in het Belgische Sint-Niklaas de Paul Snoek Poëzieprijs 2007 worden uitgereikt. Daarmee wordt de schrijver van de beste Nederlandstalige dichtbundel uit de periode 2004-2006 bekroond. De prijzenfolklore vergt dat de spanning in etappes wordt opgevoerd, dus is er een nominatielijstje met zes dichters. Dat is één meer dan er voor de VSB Poëzieprijs 2007 zijn genomineerd. De winnaar daarvan wordt volgende week vrijdag, op 27 april dus, bekendgemaakt in De Rode Hoed te Amsterdam. De laureaat van de veertiende editie van deze prijs ziet zich als beste Nederlandstalige dichter van 2006 bekroond.

Opvallend is dat één dichter voor beide prijzen is genomineerd. Dat is Dirk van Bastelaere, van wie vorig jaar ‘De voorbode van iets groots’ verscheen. Dat de nominatie van deze deconstructrie-adept weerstand zou oproepen was meer dan waarschijnlijk, maar collega-dichter Erik Jan Harmens schoot wel erg fel uit zijn slof. In een uitgebreid commentaar op de nominaties van de VSB-prijs etaleerde hij in De Groene Amsterdammer zijn afkeer van Van Bastelaere. Diens nominatie begreep hij in het geheel niet, schreef hij, ‘maar klaarblijkelijk is er bij de jury behoefte om hersendode postmoderne pseudo-intellectuele antilyrische prietpraat onder de aandacht te brengen,’ Harmens had de bundel zelf aandachtig ‘gelezen’. ‘Ik heb ’m op de grond gelegd en ben erop gaan stampen en ik heb ’m bij wijze van doorgeefcadeau ingepakt en weggegeven. Daarbij kun je ook zeggen dat Van Bastelaere dermate het bloed onder mijn nagels vandaan heeft weten te halen dat de bundel in ieder geval iets bij me heeft losgemaakt.’ Na deze tirade zat de sfeer erin. Te meer omdat kort daarna Van Bastelaere ook voor de Paul Snoek Poëzieprijs als kanshebber werd neergezet – samen met vijf anderen, onder wie Erik Jan Harmens met Underperformer. Dat zal dus een gezellige avond worden, morgen in Sint-Niklaas.

Harmens is misschien onaangenaam verbaasd zichzelf naast Van Bastelaere aan te treffen, maar in het nominatielijstje van de Paul Snoek-prijs past hij heel wel. Hans Vandevoorde, Jelle van Riet, Ilja Leonard Pfeijffer en Frank Pollet hebben een duidelijke smaak getoond bij hun jurering. Hun poëtische voorkeur laat zich kortweg als ‘experimenteel’ in de zin van ‘ontregelend’ omschrijven. Dat verklaart waarom poëtische hoogtepunten als Puur van Pieter Boskma, Situaties van Eva Gerlach, Wuif de mussen uit van Joke van Leeuwen, Dit is mijn dag van Menno Wigman en Liedjes van Nachoem Wijnberg geen kans kregen. Minder voor de hand liggend is het ontbreken van Krang en zing van Piet Gerbrandy, De karpers en de krab van Wouter Godijn en Luchtwortels van Micha Hamel. De jury moest echter kiezen, en haar keus is misschien aanvechtbaar programmatisch, maar niettemin interessant. Naast Van Bastelaere en Harmens telt de nominatielijst Resistent, de tweede bundel van Saskia de Jong, Schuim van Alfred Schaffer, Anti-canto’s en De Astatica van H.H. ter Balkt en Roeshoofd hemelt van Joost Zwagerman.

Het voordeel van nominaties is dat ze een zoekende blik op het poëzieveld bieden. Bij de echte liefhebbers trekken de ontbrekende dichters evenveel aandacht als de mogelijke laureaten. Dit geldt zeker voor het nominatielijstje uit Sint-Niklaas. Op het scherp gesteld is dat een oorlogsverklaring aan de taal als herkenningsmiddel. Ilja Pfeijffer heeft het in steeds andere bewoordingen, maar onmiskenbaar eenduidig bij herhaling in deze krant uiteengezet: een poëzielezer moet niet worden thuisgebracht, maar het bos ingestuurd. Saskia de Jong formuleerde het anders, maar minstens zo ontregelend in de openingsregels van ‘serpens in horto’ (slang in de tuin): ‘wat een illusie taal als verbindende factor / waar sta jij met jouw taal?’

Deze vraag is op elk van de zes genomineerde bundels van toepassing, maar dat is geen garantie voor kwaliteit. Hoe die wordt gemeten zal per lezer verschillen, maar de echte reuzen zijn in elke omgeving direct herkenbaar. In dit gezelschap is de reuzensnoek wat mij betreft Ter Balkt. Zijn bundel is een wervelende cocktail van het universum. Er wordt veel geciteerd en verwezen, en steeds weer rondborstig gezongen. Met deze vitale bundel plaatst de poëzieveteraan zich ver boven het jonge volk. Alfred Schaffer lijkt me een goede tweede. Elk van de rauwe, soms pijnlijke verzen in Schuim suggereert een momentopname van het heuse leven, een fragment dus, zonder context, en daardoor vreemd en vervreemdend. Net als in zijn vorige bundels krijgt de lezer niet meer dan scherven. De schijnbare eenvoud van zijn taal versterkt het effect van desoriëntatie. Schaffer ontregelt. Dat is een paradoxale constante in zijn werk. Ik zou hem de prijs daarvoor gunnen.

Dirk van Bastelaere en Saskia de Jong delen een derde plaats. ‘De voorbode van iets groots’ is een ambitieuze, bij tijden geslaagde poging om de taal collagegewijs poëtische kracht te geven. Elke tekst is daarbij nadrukkelijk meer bouwsel dan mededeling. Saskia de Jong hanteert een soortgelijk procédé, maar waar Van Bastelaere openlijk leentjebuur speelt bij taal uit de werkelijkheid, tracht zij de realiteit zo veel mogelijk in taal te verbloemen. Na twee bundels al blijkt dat procédé bij haar in vertrouwde handen. Bij Harmens zou ik zo’n positieve conclusie niet willen trekken. De taal in Underperformer lijkt verdacht veel op zijn tirade tegen Van Bastelaere. Ook in zijn verswerk wordt vooral geminacht, veracht en gestampt. Herlezing maakte die indruk allerminst ongedaan. De kracht van zijn tekst reikt niet verder dan die van een eerste presentatie. Dat lijkt me geen bekroning waard, en hetzelfde geldt voor Roeshoofd hemelt van Joost Zwagerman. Deze overambitieuze poging om de waanzin in een roman in verzen te vatten lijkt mij vergeefs. De dialoog van vrije en rijmende verzen is daverend bedoeld, maar wekt hooguit associaties met een pingpongspel waarbij het balletje zelden over het net komt.

De nominaties van de VSB Poëzieprijs zijn minder confronterend. Juryvoorzitter Henk van der Waal verklaart in zijn voorwoord van een VSB-brochure impliciet waarom. De VSB-prijs is, denkt hij, vooral een belangrijke graadmeter omdat de juryleden zich al veertien jaar lang onbevangen door gedichten laten raken. Daarop baseren zij hun keuze, en omdat ze hun oren niet laten hangen naar wat de buitenwereld denkt en vindt, is de keuze vaak onverwacht en verrassend. ‘En dat is maar goed ook,’ stelt hij, ‘want anders zou de VSB Poëzieprijs een verkapte publieksprijs of prijs van de kritiek zijn.’

Dat klinkt als een zuiver credo, en het nominatielijstje van dit jaar is navenant divers. De jury zelf omschrijft de verscheidenheid van haar keuze als: ‘Proevend aan de taal, of ermee smijtend. Helder of verhullend. Aaibaar of stekelig. Het komt allemaal voor.’ Henk van der Waal, Jan Baeke, Stefan Hertmans, Esther Jansma en Albertina Soepboer kozen een vijftal bundels uit vijfentachtig inzendingen. Die bundels zijn: De herfst van Zorro van Al Galidi, ‘De voorbode van iets groots’ van Dirk van Bastelaere, IJsgang van Anneke Brassinga, Wuif de mussen uit van Joke van Leeuwen en Hoe je geliefde te herkennen van Tomas Lieske. Daarmee is inderdaad een breed scala vertegenwoordigd.

De diversiteit van het lijstje maakt de keuze van de laureaat onvoorspelbaar. Het vijftal is niet, zoals de Snoek-nominaties, gekozen op grond van een verklaarde of herkenbare poëtica. Het was ‘de vonk’ die, aldus Van der Waal, de beste, boeiendste en/of ‘warmste’ bundels bepaalde. Hoe het ook zij: voor een eerste kennismaking met het hedendaagse landschap van Nederlandstalige poëzie is het gekozen vijftal ideaal. Wuif de mussen uit van Joke van Leeuwen is mijn favoriete bundel van vorig jaar. Van Leeuwens gedichten lijken vooral een oefening in stoeien met woorden en beelden. Dat maakt haar poëzie zo aantrekkelijk. Zelfs wie niet van gymnastiek houdt stort zich zonder weifelen in het apekooien. Bij lezing van Wuif de mussen uit is er dus zeker een vonk die overspringt.

Maar die vonk was er, zij het volslagen anders, ook bij kennismaking met Al Galidi’s notities van Zorro. In zijn vorige bundels was het verfrissend om met Galidi mee te kijken naar onze ingesleten Nederlandse gewoontes. Daarbij toonde hij de scherpte van zijn dichtersblik in een volstrekt eigen beeldspraak die – en dat is verbazend voor een van oorsprong Iraakse dichter – niet over-exotisch was, maar wel nieuw in het Nederlands. Die kwaliteiten toont hij zo mogelijk sterker nog in De herfst van Zorro. Deze bundel is bovenal een lofzang op de strijd tussen hart en penis. Met treffende uithalen als; ‘Ik begrijp nog niet / hoe een vrouw voor één nacht, / door mijn penis naar bed gebracht, / voor altijd / in mijn hart kan blijven.’

Al Galidi is een uitgeprocedeerd asielzoeker. Alleen om die reden al zou ik hem de VSB-prijs gunnen, maar de jury zal hopelijk geen politieke, maar een literaire keuze maken. Dan is ook Anneke Brassinga, die in IJsgang alle denkbare registers van de taal bespeelt, een reële kanshebber. Haar bundel Verschiet werd in 2002 al met dezelfde prijs bekroond, maar een doublet is niet uitgesloten. Of wordt het toch Van Bastelaere, of Tomas Lieske met zijn virtuoos meanderende verzen over de taal van de liefde? De kansen lagen nog nooit zo gelijk.