Vrome medestandster

Al decennia lang kleeft de zogenaamde Raspoetin-mythe aan gebedsgenezeres Greet Hofmans. Wist zij hypnotiserend de vorstin van alles in te fluisteren?

Lambert J. Giebels: De Greet Hofmans-affaire. Hoe de Nederlandse monarchie bijna ten onder ging. Bert Bakker, 324 blz. €18,90

Ter voorbereiding van een boek over Beel sprak de historicus Lambert Giebels vroeg in de jaren negentig van de vorige eeuw met de oude Joseph Luns. Het ging onder anderen over Greet Hofmans en de naar haar genoemde ‘affaire’, die in de biografie een grote rol zouden spelen. Veel zal de voormalige minister van Buitenlandse Zaken en voormalige secretaris-generaal van de NAVO zich er zoveel jaren na dato misschien niet meer van hebben herinnerd – maar één ding nog wel. ‘Hare Majesteit’, zei hij tegen Giebels, ‘had bepaaldelijk dat Hofmansmens niet nodig voor die vredesboodschappen van haar’.

Voor mensen die altijd hadden geloofd in wat je de Raspoetin-mythe zou kunnen noemen, moet dat een ontnuchterend oordeel zijn geweest. Die mythe werd, zoals bekend, in juni 1956 als een wereldprimeur gelanceerd in het Duitse weekblad Der Spiegel. Onthuld werd dat een eenvoudige gezondbidster aan het vroeger zo argeloze en knusse Nederlandse hof niet alleen bijna een echtscheiding tussen koningin Juliana en prins Bernhard had bekokstoofd, maar ook nog op een haar na een breuk had bewerkstelligd tussen Nederland en de NAVO.

Uit die mythe zijn later nog allerlei Nederlandse varianten van fictie, factie, thrillers, toneelstukken en journalistieke hoogstandjes voortgekomen, die allemaal op dezelfde onderstelling berustten: tussen omstreeks 1950 en 1956 was Juliana voor de oplossing van al haar particuliere, constitutionele en ook praktisch-politieke vragen en problemen altijd eerst te rade gegaan bij een intriganterige gebedsgenezeres die was binnengehaald om de zieke ogen van prinses Christina beter te maken (niet gelukt, tussen twee haakjes) en die allengs als een Hollandse Raspoetin alle doen en laten van de als het ware gehypnotiseerde vorstin was gaan dicteren.

De kern van de mythe werd in politieke kring niet betwijfeld. ‘Het is aan geen twijfel onderhevig’, schreef Beel (vice-premier) in september 1956 aan Drees (premier), ‘dat Mej. Hofmans via “doorgevingen” in de afgelopen jaren zich o.m. op staatkundig terrein heeft bewogen en concrete adviezen aan H.,M. de Koningin heeft verstrekt’.

Concrete adviezen op staatkundig terrein! Had genoemde mejuffrouw Hofmans de koningin mogelijk al in 1952 ingefluisterd dat ze, tegen de wens van het kabinet, gratie moest verlenen aan de Duitse oorlogsmisdadiger Willy Lages? En dat ze straks in Amerika met de van haar bekende vredesboodschappen de Koude Oorlog moest veroordelen?

Ruim tien jaar later werden de (vooralsnog onbewezen) feiten ook nog voor waar aangenomen door de toch met voldoende scepsis gewapende H.J.A. Hofland. ‘Alles wijst er nu op’, lezen we in het Hofmans- hoofdstuk van Tegels lichten, ‘dat de eerste versie van de koninklijke redevoeringen’ (die Juliana in Amerika zou houden), ‘niet tot stand zijn gekomen in overleg met het kabinet, maar met Greet Hofmans’.

En zo is het een halve eeuw lang in vrijwel alle publicaties rond de zaak blijven toegaan. Alles wat in de roerige jaren vijftig met ‘Soestdijk’ te maken had gehad (het niet al te florissante koninklijk huwelijk, Juliana’s bokkigheid ten opzichte van enkele ministers, de bigotte hofkring waar de esoterische goocheldoos scheutig rondging) is achteraf herleid tot de aanwezigheid van Greet Hofmans. Maar was haar macht werkelijk zo onbeperkt als de mythe ons heeft willen wijsmaken?

Natuurlijk was Juliana meer dan gemiddeld ontvankelijk voor alles wat naar de ongrijpbaarste bovenzinnelijkheid à la Blavatsky en Krishnamurti zweemde. Was haar moeder haar daar niet al in voorgegaan, en had ze zelf, zwanger van haar eerste kind, niet een wichelroedeloopster geraadpleegd die nog nét op tijd een fatale aardstraal ontdekte en de wieg een eindje kon verplaatsen? Natuurlijk vond ze voor haar vrome en zweverige pacifisme in Greet Hofmans bovendien een even vrome en zweverige medestandster.

Maar er is geen enkel bewijs dat ze van Hofmans ooit ‘concrete adviezen’ zou hebben gekregen, laat staan dat ze die zou hebben opgevolgd. De van huis uit volkse Hofmans vertegenwoordigde voor haar (en voor alle adellijke of half-adellijke hovelingen als de Heeckerens van Molecaten, de Piersons, de bezoekers van de malle séances op het Oude Loo, de dubieuze kamerheer Van Maasdijk niet te vergeten) waarschijnlijk een zuivere Stem, waaraan ze op haar tijd behoefte had.

Maar zodra Drees op audiëntie kwam, of wanneer ze ruzie kreeg met Stikker die, hoe ordinair, bier verkocht, of als ze moest oordelen over gebeurtenissen in de boze buitenwereld, kon ze het blijkens alle stukken die daarvan getuigen, perfect alleen af. Luns had gelijk. Als er zaken gedaan moesten worden had Hare Majesteit geen Hofmansmens nodig.

Of zou er op dat punt nog iets verrassends tevoorschijn kunnen komen uit het aan Cees Fasseur gegunde, aan Lambert Giebels ontzegde onderzoek in het Koninklijk Huis Archief (KHA)? Daarmee zijn we bij De Greet Hofmans-affaire, waarin laatstgenoemde alles nog eens – om een actualiteitenrubriekterm te gebruiken – ‘op een rijtje’ heeft gezet.

Geloofde Giebels ooit in de Raspoetin-mythe? Dat is niet echt duidelijk. Het is misschien typerend dat hij nu pas het wijze woord van Luns citeert, en nu pas de rol van Greet Hofmans lijkt te willen scheiden van de andere, de ‘echte’ crises op Soestdijk.

Maar hij blijft daar nogal ‘half’ in, zoals in een passage (blz. 134) waarin we lezen: ‘Misschien door Greet Hofmans’ voorzegging dat zij een groot vorstin zou worden [...] stortte Juliana zich op haar vermeende regeringstaken’.

Het is één van de bezwaren die je kunt aanvoeren tegen een boek dat waarschijnlijk toch vooral ook haastig is voltooid om het resultaat van Fasseurs spitwerk in het KHA (te verwachten in 2009) vóór te zijn. Een wat slordige structuur is bijna altijd een kenmerk van Giebels’ studies – en in dit geval had hij extra een voorbeeld mogen nemen aan de uiterste zorgvuldigheid die Hans Daalder betrachtte over eigenlijk hetzelfde onderwerp in Drees en Soestdijk (2006). Bij Daalder zijn Juliana’s negen of tien onconstitutionele manoeuvres of pogingen daartoe, streng gescheiden gehouden van de mogelijke, maar nog altijd niet bewezen, invloed van de pseudo-Raspoetin.

Het is intussen altijd weer leerzaam en amusant om het verhaal van Greet Hofmans te herlezen. Je leest er immers over Nederlanders van vijftig jaar geleden – en in historiografisch perspectief zijn dat Nederlanders van gisteren.