Vergeet mij maar

Luuk Gruwez: Psilo. De Arbeiderspers, 124 blz. € 17,95.

De meneertjes die optornen tegen de grote boze wereld: er komen nog steeds nieuwe bij. Na Monsieur Teste van Paul Valéry, meneer Plume van Henri Michaux, de heer Tienoppen van Harry Mulisch, meneer Kortom van Nicolaas Matsier en meneer Toto van Bernlef is er nu meneertje Psilo, van dichter en prozaschrijver Luuk Gruwez. Het boek werd aangekondigd als zijn ‘fictiedebuut’, omdat het kennelijk het eerste is dat niet op een of andere manier teruggrijpt op Gruwez’ eigen leven. In 52 hoofdstukken maken we kennis met Psilo, een heer van onbestemde leeftijd, die naarstig op zoek is naar zingeving, troost, geluk, liefde en lotsverbetering en zich vermeit in wat hij ‘de directe natuur’ noemt: in pimpelmezen en kortgerokte buurvrouwen.

Naar de betekenis van zijn eigenaardige naam moeten we raden. Een afkorting van Psilolitis, een hoge berg op Kreta, zoals Gruwez zelf suggereert? Een variatie op het Griekse woord psilos, dat naakt betekent? Een verwijzing naar psyche en psychologie? Als je wat goochelt met de letters, kom je op solip uit, een verkorte vorm van solipsist en solipsisme. Of moeten we denken in de richting van psilocine, een roes verwekkende stof uit paddestoelen? Je kunt met Psilo alle kanten op en dat is denk ik precies de bedoeling van Gruwez.

Zijn Psilo is een nogal ongrijpbare figuur met tegenstrijdige eigenschappen en overwegingen. Hij voelt zich, om maar eens wat te noemen, zowel een ‘snotaap’ als een ‘oude zak’. Net als andere literaire heertjes denkt hij veel, maar loopt hij niet speciaal over van dadendrang. Hij heeft geen hoge pet op van zichzelf, maar streeft wel naar ‘het grootste, het beste en het mooiste’. Hij is bang voor alles, maar wil het ook graag ver schoppen. Hoewel hij zich meer opwindt over de hondendrol of een leeg bierblikje op de stoep voor zijn huis dan over een aardbeving of burgeroorlog in een ver buitenland, zou hij de grote held willen zijn ‘van heel het wereldleed’ en wel ‘van Pakistan tot diep in Soedan’. Hoe diep hij wel begaan is met de medemens, blijft steeds de vraag. Want elders merkt hij weer op dat hij niet weent om de doden van de wereld, maar om ‘de backhand van zijn tennisidool en om een onverhoopte trouwpartij in zijn lievelingssoap’.

De vraag is natuurlijk vooral hoe we dit alles moeten lezen: is het meligheid of is het menselijk lijden? Is het geestig geformuleerde aanstellerij, of kampt hier werkelijk iemand met de vraag of hij er wel of juist niet zou moeten willen zijn? Literair spel of een tragisch gevecht met de vergankelijkheid? Ergens halverwege verzucht Psilo dat hij niets liever wil dan ‘voorbijgaan, voorbijgaan, maar dan wel voor eeuwig’. Hoeveel eeuwigheidswaarde zouden zijn lotgevallen hebben? Ik denk dat de meeste lezers na deze 52 hoofdstukken voorlopig meer dan genoeg te weten zijn gekomen over meneertje Psilo.