Van Ruysdael zo goedkoop ‘voelt als stelen’

De eerste 45 stukken uit de Goudstikker-collectie zijn gisteren geveild in New York. De opbrengst viel tegen, eenderde van de schilderijen bleef onverkocht. Maar het topstuk is weer in Nederlandse handen.

In 1923 kwam een collectie van de Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker voor het eerst naar New York. Een van de geëxposeerde schilderijen was een 17de-eeuws boslandschap van Philips Koninck.

Gisteren was hetzelfde landschap opnieuw in New York. Dit keer bij veilinghuis Christie’s dat het als „indrukwekkend” beoordeelt. Het schilderij hoorde tot de handelsvoorraad van Goudstikker uit mei 1940, die in de oorlog voor een groot deel in Duitse handen kwam.

Na de oorlog werden de schilderijen teruggehaald uit Duitsland en kwamen ze in bezit van de Nederlandse staat. Na een slepende claimprocedure werden ze vorig jaar overgedragen aan de Amerikaanse erfgename van Goudstikker, Marei von Saher. Zij laat een deel van de 202 werken veilen om haar advocaten en adviseurs af te betalen.

De geschatte opbrengst van de Koninck ligt tussen 1,5 en 2,5 miljoen dollar. „900.000”, gaat de veilingmeester, „950.000, 1 miljoen, 1,1 miljoen.” Stilte. „Niemand anders nog?” Maar daar blijft het bij. Niemand in de zaal wil er meer voor betalen, geen van de tientallen telefonische bieders, die aan de zijkant van de zaal vertegenwoordigd zijn door werknemers van Christie’s, wenst een hoger bod uit te brengen. Daarmee is de minimale verkoopprijs van het veilinghuis niet gehaald. „Pass”, concludeert de veilingmeester. De verkoop gaat niet door.

Niet alleen het resultaat van dit schilderij viel tegen. Een derde van de 45 schilderijen die gisteren werden aangeboden, bleef onverkocht. En de vooraf geschatte maximale opbrengst werd lang niet gehaald. Christie’s verwachtte dat de stukken minimaal 11,1 miljoen dollar zouden opbrengen, maximaal 18,3. Het werd minder dan de ondergrens: 9,7 miljoen dollar.

Marei von Saher reageert in een door Christie’s uitgegeven persbericht enthousiast op het resultaat. „We zijn zeer tevreden”, stelt ze. Op telefonische verzoeken om meer commentaar wordt niet gereageerd. Tijdens de veiling volgt Von Saher samen met haar twee dochters de gebeurtenissen vanuit een vipruimte. Nadat het laatste stuk is afgehamerd, glimlacht de erfgename. Iemand legt een hand op haar schouder.

Een mogelijke verklaring voor de tegenvallende opbrengst is te vinden in de zoektocht naar een geschikt veilinghuis. Eind vorig jaar nodigde Von Saher ’s werelds meest vooraanstaande veilinghuizen – Christie’s en Sotheby’s – uit voorstellen te doen voor de veiling. Beide huizen gingen erop in en het werd een veelbesproken strijd. Voordat Christie’s bekendmaakte de veiling te hebben binnengesleept, ging al weken het gerucht dat Sotheby’s had gewonnen. „Iedereen houdt van een mooie veiling”, geeft Meredith Hale als verklaring voor de wedijver. Ze is vicepresident van Christie’s New Yorkse Old master paintings-afdeling.

Hale en de conservators kregen in oktober slechts twee dagen om de tweehonderd stukken in het Rijswijkse depot van het Instituut Collectie Nederland te bestuderen. „Ongebruikelijk”, volgens Hale, om zo ineens en zo snel een gehele collectie te moeten bekijken. Ook ongebruikelijk om op basis daarvan een eerste voorstel te doen over zowel de waarde van de schilderijen als de netto opbrengsten voor de eigenaars.

In januari hield Christie’s een presentatie voor de erfgename en voor de afdelingshoofden uit New York, Londen en Amsterdam van het veilinghuis. Om de opbrengst te maximaliseren besloot Christie’s tot drie veilingen, elk met zowel topstukken als goedkopere werken. Op de New Yorkse veiling zijn volgens Hale relatief veel Nederlandse oude meesters, omdat de interesse daarvoor in de VS groter is dan in Europa. „We kijken waar ze het meeste kunnen opbrengen.”

Negentien van de 45 stukken hingen in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum. De overige schilderijen komen uit het hele land: drie uit Gouda, twee uit Uden, twee uit Leeuwarden. Het schilderij waarnaar het meest werd uitgekeken, kwam van het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden. Dit rivierlandschap van Salomon van Ruysdael uit 1649 beeldt een veerboot af met daarop vier koeien. Christie’s rekende op 3 tot 5 miljoen dollar, maar niemand bood meer dan de 26-jarige Maastrichtse kunsthandelaar William Noortman op de eerste rij. Hij kocht het voor 2 miljoen dollar (exclusief veilingkosten) en neemt het stuk mee terug naar Nederland. „Ik ben echt superblij”, zegt hij opgetogen. Dat het deel uitmaakte van de collectie-Goudstikker is volgens hem nauwelijks relevant voor de verkoop. „Het is een klassiek, puur Nederlands werk – in fantastische staat.” De prijs was de grootste meevaller. Het werk was zo goedkoop”, zegt Noortman, „het voelt alsof ik het heb gestolen.”