Uruzgan uit bij gebrek aan succes

Dit jaar moet Den Haag besluiten: in Uruzgan blijven of niet? Liever niet, is het sentiment. Daar zijn de VS allerminst blij mee.

Vooral geen overspannen verwachtingen. Dat was de boodschap waarmee de hoogste Nederlandse militair, commandant der strijdkrachten Dick Berlijn, deze week voor het eerst in maanden de media te woord stond. De omvangrijke missie heeft nog maar een bescheiden begin gemaakt met de realisering van de doelstelling: van Uruzgan een bestuurbaar en veilig deel van Afghanistan maken.

Deze conclusie is niet zonder belang voor de zware beslissing waarvoor de Nederlandse regering zich dit jaar gesteld ziet. Blijven in Uruzgan, eventueel met een afgeslankte militaire missie, zoals de NAVO-bondgenoten VS, Groot-Brittannië en Canada willen? Of toch maar liever vertrekken op de eerder met de NAVO afgesproken datum, 1 augustus 2008?

Dat de hoogste Nederlandse militair zo’n bescheiden inschatting maakt van wat in Uruzgan is bereikt – met name ten aanzien van de kerndoelstelling, steun en sympathie bij de plaatselijke bevolking te bewerkstelligen – is niet zonder effect op de politieke besluitvorming.

Draagvlak in de samenleving voor de zware missie – aldus een discussiestuk van het kabinet – staat of valt met de vraag of er in Uruzgan succes wordt geboekt met het streven om van de provincie een bestuurbaar en minder gewelddadig gebied te maken.

Die successen zijn voorshands zeer bescheiden, zegt Berlijn. Zijn minister, Van Middelkoop (Defensie, ChristenUnie), is dat trouwens helemaal met hem eens. Verdere verbetering kan ook eigenlijk niet van militairen als zodanig verwacht worden, zei Van Middelkoop ook onlangs op een NAVO-conferentie.

Daarvoor zouden er meer burgerorganisaties naar Uruzgan moeten komen, van de Verenigde Naties tot ngo’s. Gezien de veiligheidssituatie is dat op de korte termijn niet zeer waarschijnlijk.

[Vervolg URUZGAN: pagina 2]

URUZGAN

Coalitie zoekt het liever in Afrika

[Vervolg van pagina 1] Ook op veiligheidsgebied zijn de successen voorshands zeer bescheiden te noemen. Afgelopen zaterdag zei Gerard Koot, de pas vertrokken commandant van het Provinciaal Reconstructie Team (PRT) in Uruzgan, in deze krant dat de voortgang van de missie daardoor „op een aantal plekken stil [ligt]”.

Zo valt op dat de ‘inktvlek’, het gebied waarbinnen de Nederlandse militairen hun invloed laten gelden, al sinds september in essentie niet meer is uitgebreid. De vlek behelst een klein deel van de provincie, de geürbaniseerde streken rond Tarin Kowt, Deh Rawood en Chora, en er zijn geen onmiddellijke plannen voor uitbreiding. In het grootste deel van Uruzgan hebben de Talibaan alle bewegingsvrijheid. Ze zijn daar ook in groten getale aanwezig. Voor verdere uitbreiding van de inktvlek zijn geen directe plannen, aldus Berlijn. Misschien dat in dit opzicht iets te verwachten valt van de Australische special forces die naar Uruzgan komen.

Gaan of blijven – als het aan Den Haag ligt, is de keus wel duidelijk. Nederland heeft zijn steentje bijgedragen, zich gewaagd in het moeilijkste deel van Afghanistan, waar talrijke NAVO-bondgenoten het laten afweten. Nog een jaar blijven legt bovendien een onaanvaardbaar beslag op mensen en middelen, zo bleek deze week uit een uitgelekte interne notitie voor de chef operatiën van de legerleiding. Het materieel slijt onverwachts in het stoffige Uruzgan, en het uithoudingsvermogen van de militairen, vooral de specialisten, wordt zwaar op de proef gesteld.

Formeel is er geen bezwaar om er op 1 augustus 2008 de brui aan te geven. Nederland heeft in 2005 bedongen dat een eventuele vervanging door troepen van een ander NAVO-land geen Nederlandse zorg is maar eentje van de NAVO – maar de animo is gering.

Niets belet Nederland dus om de operatie af te ronden en de troepen in te zetten in minder riskante gebieden met meer kansen op succes. In Afrika bijvoorbeeld – binnen de coalitie is met name de PvdA daar een voorstander van.

Er is één probleem: de VS en de NAVO-organisatie zullen ongetwijfeld hemel en aarde bewegen om Nederland tot een verlenging van de missie te bewegen. De situatie lijkt sterk op die in 2005, toen soortgelijke druk werd uitgeoefend op de Nederlandse regering tot langer blijven in Zuid-Irak. De toenmalige minister van Defensie, de VVD’er Kamp, heeft aan die druk toen weerstand geboden.

Ook toen was het argument dat een Nederlandse terugtrekking een zware slag toebracht aan het welslagen van de algehele onderneming – een land tot democratie en vrede brengen. Daarom speelt ook nu de vraag wel degelijk een rol in hoeverre in Afghanistan met militaire middelen en een werkend staatsapparaat een minimum aan veiligheid kan komen.

De balans is niet gunstig, zoals ook het jongste ambtsbericht van Buitenlandse Zaken laat zien: in heel Afghanistan verloopt de opbouw uiterst moeizaam, de veiligheid neemt eerder af dan toe, in steeds meer gebieden is steeds vaker sprake van aanslagen van de Talibaan. 31.000 ISAF-militairen, onder wie zo’n 1.500 Nederlanders, hebben het afgelopen jaar niet kunnen verhinderen dat het bergafwaarts gaat.