Tjallings dagboek

Wat vooraf ging: Tjalling en Katja moeten, in hun zoektocht naar de verdwenen vriend Sebastiaan, een laatste hindernis overwinnen: over de zee moeten ze naar een eiland. Met een helikopter.

We vlogen! Maar het was eng, hartstikke eng! De helikopter steeg een stuk. Daalde toen weer. Steeg daarna weer ronkend op. Het ding bewoog zich door de lucht als een gewonde meeuw.

„Weet je wel wat je doet?” riep ik.

Katja zat ingespannen aan allerlei knoppen te draaien. Onder ons waren de golven. Draaiend en zwenkend en schuddend kwamen de rotsen in de verte dichterbij. Op die rotsen, ergens halverwege, stond één miezerig, klein boompje. Dat boompje leek me een soort hindernis.

„Onzin!” zei ik tegen mezelf. „We karren er gewoon overheen!”

Langzaam kwam het in de buurt.

„We moeten hoger, Katja”, zei ik.

Katja draaide aan haar knoppen. Steeds zenuwachtiger.

„Hoger!” riep ik.

„HOGER!” krijste ik.

Er klonk een knal.

En plotseling vlogen we niet langer, plotseling zaten we vast! We hingen! De wieken van de helikopter verstrengelden zich in de takken. Het landschap begon rond te tollen.

Want dat was het geval: de wieken waren vastgeklemd, en dus was onze helikopter een draaimolen geworden.

„Ho nou!” riep ik.

Katja ramde op het toetsenbord. Er klonk een plofje, en er kwam een rookwolkje uit. Het landschap begon minder te snel te tollen.

En eindelijk stonden we stil. Ziek en misselijk sprongen we omlaag. Het was maar een laag boompje. We vielen op de grond, die leek heen en weer te veren. Het duurde een tijd voordat alles weer hard en rustig werd.

„Nou”, zei ik. „Daar zijn we dan. Briljant gestuurd, Katja! En nu?”

„Naar boven”, zei ze nors.

Ze zag wit. Maar ze stond op, en begon te klimmen. Gelukkig had ik mijn Spidermanpak aan. Als je zo’n pak aan hebt, dan kun je je soms opeens bedenken dat je eigenlijk heel sterk en moedig bent. Zonder zo’n pak wil je dat nog wel eens vergeten.

We klommen omhoog. Het laatste stuk was lastig. Zwetend trokken we ons op aan uitstekende stukken rots.

En opeens verscheen er een vlakte. Een plateau.

In de verte stond een strandstoel. En er zat iemand in.

Een kabouter. Daar zat een paars kaboutertje.

Wordt vervolgd.