Tiran van het woord

Peter Drehmanns: Altijd maar begraven. Contact, 285 blz. € 21,90.

Een mens die over een lege weg loopt en zich verwijdert, de verte in. Dat vindt Hans Woedman, de held van Altijd maar begraven, het mooiste beeld dat er bestaat. Net als in zijn vorige romans gaat het in dit vijfde boek van Peter Drehmanns meer om vertrekken dan om aankomen.

Woedman is op een ochtend met stille trom vertrokken bij zijn zwangere vrouw, en reist nu richting het oosten. Het enige leidende principe daarbij is dat hij alleen steden met een B bezoekt, van Berchtesgaden tot Berditsjev. Woedman is namelijk een ‘woordenman’, en taal komt bij hem voor werkelijkheid. Ook zijn ongeboren zoon is in zijn ogen een ‘propje papier’ dat zich zal ontbolsteren tot ‘iets wat hij niet wilde lezen’. Hij had alleenheerser willen zijn in die wereld van woorden, horen we, een kind beantwoordt niet aan zijn ‘poëtica’.

Ook zonder die zoon in aantocht had Woedman het overigens al flink benauwd in zijn dagelijks leven in Breda, met zijn brave vrouw Bebel, zijn baantje als corrector van andermans teksten, terwijl niemand zijn eigen ‘prozaminiaturen’ wil uitgeven of zelfs maar begrijpen. Dus rijdt hij weg en denkt drie maanden en twintig B-steden lang na over zichzelf. Zelfs het bezoek aan een pornosite eindigt bij hem niet in een orgasme, maar in woordspel en een nieuw potje zelfanalyse. Hoewel Woedman vrijwel alles en iedereen minacht, kan hij niet de taal vinden om de boel superieur af te breken. Veel verder dan geklaag en gefoeter komt hij niet, of het nu gaat over ‘toeristenroedels’, de opstelling van het Nederlands elftal of de Prenatal. Zelf ergert hij zich nog het hardst aan zijn ‘vederlichte associaties en kluchtige observaties’.

Woedmans combinatie van zelfhaat en zelfmedelijden loopt erop uit dat er in de loop van het verhaal maar één ding echt wordt afgebroken, en dat is hijzelf. De aankomend vader eindigt als baby, kaal en machteloos in een foetushouding. Dat sluit precies aan bij de literatuuropvatting van Drehmanns, die eens schreef dat hij het meest houdt van ‘omgekeerde bildungsromans’, waarin een held wordt gesloopt tot er slechts een wrak van over is. Zo ook Woedman aan het eind van zijn tocht.

Dat we dit verhaal moeten lezen als een postmoderne anti-queeste, bleek al uit de clichés die Woedman daarover debiteerde: ‘Alleen dat wat verloren is gegaan, bestaat werkelijk, dacht hij ineens’; om het in dezelfde alinea nog eens uit te leggen: ‘Alleen dat wat er niet meer is, is dus’. Ook de vorm van Altijd maar begraven sluit op een al te voor de hand liggende manier aan bij die traditie, met het letterspel, de afwisseling van stijlen, ingevoegde prozaminiaturen en foto’s. Wat er op die foto’s is afgebeeld zal geen verrassing zijn: mensen op de rug gezien, zich verwijderend de verte in.