Stilte

Het was aangenaam rustig in het stiltecompartiment van de trein. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik keek om me heen en begreep waarom: de spits was voorbij, er zat maar één medepassagier in dit deel. Zou het dan toch nog mogelijk zijn – een boek lezen in de trein? Voorzichtig diepte ik het boek uit mijn tas op.

„Ja, met Roland hier”, zei de medepassagier luid.

Ik duwde mijn boek weer terug. De krant zou misschien nog nét kunnen. Het hing er vanaf hoe lang Roland zou bellen. Juist omdat wij de enige passagiers waren, vulde zijn welluidende stem de kleine ruimte tot in alle hoeken en gaten. Moest ik er iets van zeggen?

Ach, laat maar even. Roland kon het misschien ook niet helpen, hij zou de pictogrammen van het stilteverbod wel over het hoofd hebben gezien. De NS heeft ze zó onopvallend boven de ramen aangebracht dat de ene helft van de reizigers voortdurend de andere helft verwijtend aankijkt. Pas als je doelbewust zoekt, vind je ze: een hoofdje met een wijsvinger voor de lippen en ernaast een mobiele telefoon met diagonale rode lijn erdoorheen.

Laatst was ik nog zelf betrapt door een medepassagier, terwijl ik met een collega zat te praten. „Wilt u verderop gaan zitten, heren?” We keken boven het raam. Hij had gelijk.

Roland had inmiddels zijn tweede gesprek afgesloten en stond op het punt een derde nummer in te toetsen.

„Sorry’’, zei ik, „ik wil niet kinderachtig zijn, maar het is beter dat u elders gaat zitten.”

Een goede zin, al zeg ik het zelf, niet blafferig, ook niet nederig, maar net er tussenin. Je hebt van die dagen dat elke zin óf als een dolk óf als een dweil je mond verlaat, maar vandaag was ik op dreef.

Roland, een jonge man nog, keek verbaasd op. „Dit is toch geen stiltedeel?”

Ik wees op de pictogrammen.

„O”, zei hij, „ik dacht dat dat tekentje alleen betekent dat je je telefoon niet mag laten overgaan.”

„Nee”, zei ik met dat heerlijke gevoel wanneer je zeker weet dat je gelijk hebt, „kijk maar naar dat andere teken: zelfs gewoon praten mag eigenlijk niet.”

Hij keek nog eens goed en zei toen: „U heeft gelijk.” Vervolgens borg hij zijn mobiel op – en pakte ook een boek. Het begon hier op een leeskring te lijken.

Eind goed al goed, en Roland en ik leefden nog lang en gelukkig?

Bij het volgende station stapte een andere reiziger binnen. Hij ging een paar stoelen achter mij zitten en begon meteen te bellen. Opeens was goede raad onbetaalbaar duur. Ik voelde me machteloos gevangen tussen twee vormen van belachelijkheid. Moest ik nu de hele reis voor politieagent spelen? Opstaan, met de handjes op de buik trommelen en bijna neuriënd zeggen: „Wat zijn wij van plan? Wij zitten hier toch in een stiltegedeelte?” Ik kon het doen, maar ik wist nu al dat ik mezelf na afloop intens zou haten.

Maar het alternatief – nietsdoen – zou mij in de ogen van Roland degraderen tot een slapjanus. Ik aarzelde. Toen hoorde ik een groepje jongens binnenkomen. Ze bleven op het balkon staan en lieten een radio luid schallen. Conducteurs waren weer nergens te bekennen, die hebben tegenwoordig met de machinist een eigen leeskring.

Daar zat ik. Don Quichot van de stilte? Ben je gek. De slag om de stilte in de trein is allang verloren. Ik nam mijn verlies en ging op zoek naar een leuke column in de krant.