Ons militaire werk wel, hoor

Nederland is in Irak medeplichtig aan een onverantwoorde agenda.

Tijd voor een Irakbeleid waar niemand zich voor hoeft te schamen.

Vier jaar geleden begon de aanval op het Irak van Saddam Hussein. De dictator is dood, maar zijn massavernietigingswapens, het motief om de oorlog te beginnen, zijn nooit gevonden. Hoewel president Bush op 1 mei 2003 de overwinning opeiste, gaat de oorlog tot op de dag van vandaag door. Deze heeft het karakter aangenomen van een burgeroorlog en gewelddadig verzet tegen buitenlandse bezetting.

Het wetenschappelijke tijdschrift The Lancet schat het aantal omgekomen burgers op 650.000. Meer dan één miljoen mensen zijn het land ontvlucht. De oorlog is een ramp gebleken. Hoe aan deze vloek te ontsnappen en wat mag van Nederland verwacht worden?

Los van de vraag over de toedracht van de oorlog is er de kwestie hoe het Nederlandse beleid voor Irak vorm te geven. Na de overwinning op Saddam begon in het najaar van 2003 de Nederlandse stabilisatieoperatie in de zuidelijke provincie Al Muthanna. Hoewel er Nederlandse slachtoffers waren, was deze missie niet zozeer van militair, maar vooral van politiek belang om de Amerikaanse agenda voor Irak van een breed draagvlak te voorzien. Na deze missie werd Nederland gevraagd mee te doen aan een NAVO-operatie om Iraakse officieren voor het nieuwe leger op te leiden. Nu zijn er nog veertien Nederlandse militaire instructeurs. Opnieuw een missie die vooral de politieke steun tot uitdrukking brengt.

In de afgelopen vier jaren is de overwinning niet veilig gebleken. De Amerikaanse aanpak van de resten van het Ba’athregime was contraproductief. De aanval op de opstandige stad Falluja was zeer bloedig en werd zelfs misdadig toen wit fosfor werd gebruikt. De Amerikanen hebben door hun werkwijze de opstand aangewakkerd en zijn zo onderdeel van het probleem geworden. En nog is er niets geleerd. Sinds kort zijn er dan ook meer militairen naar Irak gestuurd, met name naar Bagdad.

De strijd lijkt zich te verplaatsen naar gebieden die al gepacificeerd waren. En het politieke verzet tegen de Amerikaanse aanwezigheid groeit, zoals bleek uit de massabetoging van 9 april in Najaf. De Nederlandse regering heeft dit alles te lijdzaam gevolgd. De politieke en militaire steun heeft geleid tot medeplichtigheid aan een onverantwoorde agenda. Een koerswijziging is noodzakelijk.

Nederland dient een actievere en ook onafhankelijkere houding aan te nemen. Dat kan door directe steun aan de Iraakse bevolking. Om te beginnen kan medische steun worden gegeven aan de slachtoffers van chemische wapens in Iraaks Koerdistan. Gezien de veroordeling van de Nederlandse zakenman Frans van A. en gezien de ongestoorde leverantie van chemicaliën door andere bedrijven tot februari 1985, is er een plicht van Nederland om deze slachtoffers bij te staan.

Nederland kan Iraakse instituties versterken door meer Iraakse diplomaten hier op te leiden, door samenwerking en uitwisseling tussen universiteiten, door kadertrainingen voor politieke partijen, maatschappelijke organisaties en vrije media. Ik bepleit militaire afzijdigheid, maar een grote en effectieve humanitaire betrokkenheid.

Er moet ook veel meer worden gedaan voor de miljoenen vluchtelingen die nu in de buurlanden zijn neergestreken. Om deze landen niet te destabiliseren, moeten zij financieel worden gesteund.

Om een einde te maken aan de oorlog moet diplomatie worden gebruikt. Nederland moet zich daarvoor inzetten. Die diplomatie mag in stilte. Dat kan via de VN. Dat kan ook openlijk als teken van een andere aanpak dan de Amerikaanse. De EU dient vooral in contact met Turkije conflictpreventie te bewerkstelligen. Met deze ingrediënten ontstaat er een Nederlands Irakbeleid waar niemand zich meer voor hoeft te schamen.

Harry van Bommel is lid van de Tweede Kamer voor de SP.

Meer over de SP en zijn standpunten over Irak op sp.nl