Oerwoud Lissabon

In de week waarin António Lobo Antunes de dood in de ogen zag, verschijnt zijn magnum opus in een Nederlandse vertaling, ‘Fado Alexandrino’. Een groot Portugees schrijver treedt zo eindelijk uit de schaduw van landgenoot Saramago.

António Lobo Antunes: Fado Alexandrino. Vertaald door Harrie Lemmens. Ambo, 605 blz. € 29,95

Fado Alexandrino, het vuistdikke magnum opus van de Portugese schrijver António Lobo Antunes, begint in Lissabon. Of is het Lourenço Marques, het tegenwoordige Maputo, de hoofdstad van Mozambique? Bladzijdenlang lopen beide steden door elkaar heen. Net als de soldaat die in het openingshoofdstuk aan het woord is, ziet de lezer in één zin ‘de burgermanshuisjes op afbetaling en de bomen van het oerwoud’ aan zich voorbijtrekken: ‘de jichtige tuintjes en de door mitrailleurs aan flarden geschoten strohutten ... en de gigantische stilte die altijd op een hinderlaag volgde, waarin het zachte gekreun neer tikte als protesterende regen.’

Maar het is wel degelijk Lissabon waar Fado Alexandrino zich afspeelt. Geen stad van witte huisjes en pittoreske trams, maar van lepreuze krottenwoningen en miezerige regen, waarin ‘het glibberige eiwit van de dageraad groeide als algen op de daken’. Het is het Lissabon van de vroege jaren tachtig, dat zich moeizaam probeert te herstellen van de politieke omwenteling die zo’n tien jaar eerder een einde had gemaakt aan de corporatistische ‘nieuwe staat’ van António Salazar. Dat betekende meteen ook het einde van de koloniale oorlogen in Afrika die het land jarenlang hadden ondermijnd, en waarvan de trauma’s voortetteren.

Rond die dubbele geschiedenis is Fado Alexandrino opgebouwd. De drie delen waaruit het boek is opgebouwd spelen respectievelijk voor, tijdens en na de Anjerrevolutie waarin het oorlogsmoede leger op 25 april 1974 in opstand kwam. Maar tegelijk beslaat het één lange nacht, waarin een viertal oud-strijders ruim tien jaar later herinnering ophaalt aan hun tijd in Mozambique. Ook dat feestje kent in deze weergaloos geschreven en geconstrueerde roman drie episoden. Het begint in een restaurant, wordt voortgezet in een nachtclub en eindigt in een dramatisch delirium bij één van de soldaten thuis.

Al die tijd wordt er gesproken en verteld. Herinneringen worden opgehaald, niet alleen aan de diensttijd in Mozambique, maar ook aan wat zich daarvoor en daarna heeft afgespeeld. De Afrikaanse verschrikkingen hebben deze mannen voorgoed ontwricht. In Lissabon zien zij nog altijd het oerwoud doorschemeren, steeds op hun hoede voor onverwachte hinderlagen en bij elk ontwaken automatisch tastend naar hun geweer. Onverschillig bejegend na hun terugkeer en misplaatst in een samenleving die zij nooit meer helemaal begrepen, zien zij hun huwelijken kapotgaan, hun revolutionaire idealen verdampen, zichzelf tot behoeftigheid vervallen en de beloften van een nieuwe maatschappij ten onder gaan in de hardnekkigheid van de taaie verhoudingen van stand en geld.

Lobo Antunes wist waarover hij schreef toen hij dit boek in 1983 afrondde. Geboren in een grootburgerlijke familie (zijn vader was een bekend neurochirurg), werd ook hij (inmiddels arts en psychiater) in het begin van de jaren zeventig als militair naar Afrika gestuurd. Naar Angola, niet naar Mozambique, maar de beestachtigheid van het koloniale oorlogsregime was overal gelijk. Net als alle andere dienstplichtigen kwam hij pas na ruim twee jaar weer terug. Ook zijn huwelijk strandde, zijn leven verloederde. In 1979 kwam hij als een wervelstorm de Portugese letteren binnen met twee romans: Olifantengeheugen over zijn scheiding en De judaskus over zijn Afrikaanse trauma’s. De heftigheid waarmee hij die door taboes omgeven zaken aan de orde stelde, maakte hem van de ene dag op de andere een van Portugals meest vooraanstaande én omstreden auteurs.

In veel opzichten vormt De judaskus (al in 1991 in het Nederlands vertaald) de voorafschaduwing van Fado Alexandrino. Ook deze bescheiden roman beslaat één lange nacht en ook daarin is een getraumatiseerde oud-Afrikaganger aan het woord. In een lange monoloog legt hij tegenover een vrouw in een bar zijn verrotte leven op tafel. Maar wat in De judaskus nog één verhaal is, zijn er in Fado Alexandrino vier geworden, waarin Lobo Antunes niet één mensenleven maar de hele Portugese samenleving weet te bestrijken. Het viertal vormt een dwarsdoorsnede van het leger: van de gewone soldaat waarmee het boek aanvangt, via een vaandrig en luitenant tot een luitenant-kolonel, die het na de Anjerrevolutie tot generaal schopt. Als zwijgende vijfde persoon is een kapitein aanwezig, die soms door de anderen wordt aangesproken. Zij is het equivalent van de anonieme vrouw uit De judaskus en misschien ook de persoon van Lobo Antunes zelf: de professionele luisteraar die hij als psychiater moet zijn en tegelijkertijd een mede-oudstrijder te midden van andere.

Al deze mannen zijn losers, in welk sociaal milieu ze zich ook bevinden. De vaandrig die een rijke bankiersdochter trouwt zal ontdekken dat de grenzen tussen de standen sterker zijn dan de banden van het huwelijk. De soldaat zal zíjn vrouw zien vertrekken als militante in een marxistisch-maoïstische splintergroep, en zal ten slotte uit het vervallen krot worden gezet waarin hij onderdak gevonden heeft. De luitenant verliest gaandeweg al zijn politieke idealen en wordt door stom toeval en dronkemansdelirium het slachtoffer van de amoureuze affaires waarin hij zijn heil gezocht heeft. En zelfs de luitenant-kolonel wordt alleen maar bevorderd tot generaal omdat hij als eeuwige weifelaar een ideale pion is in de opportunistische zuiverings- en carrièrecarrousel die na de Anjerrevolutie op gang komt.

In Fado Alexandrino ontdekte Lobo Antunes de ware breedte van zijn schrijverschap. Elk van zijn daaropvolgende romans (achttien heeft hij er tot nu toe in totaal gepubliceerd) vormt een diepe insnede in de maatschappij en recente geschiedenis van Portugal. In wat wel zijn Benfica-trilogie wordt genoemd beschreef hij de burgerklasse die te vinden is in deze wijk van Lissabon, die ook zijn eigen geboortegrond is. Ze werd gevolgd door een cyclus waarin de macht centraal staat. Zo portretteert Lobo Antunes in het eerste deel daarvan (Het handboek van de inquisiteurs, 1996) de patriarchale figuur die hij nog altijd kenmerkend acht voor Portugal: de feodale landheer die onder Salazars dictatuur minister wordt, een absoluut gezag uitoefent over zijn territorium, zijn ondergeschikten, zijn familie, en in één moeite door over het hele land.

Al dertien jaar daarvoor had Lobo Antunes in Fado Alexandrino de onmiskenbaar eigen toon en stijl gevonden die het kenmerk van zijn boeken geworden zijn. De monoloog van De judaskus werd een polyfonie – of een symfonie, zoals hij over Het handboek van de inquisiteurs gezegd heeft. De stemmen die eruit opklinken, raken met elkaar verweven. Afwisselend zoomt Lobo Antunes in op een van de vier militairen en zijn verhaal, maar steeds wordt dat onderbroken door tussenwerpsels van anderen, zinnen waarin eerder gehoorde verhaalfragmenten na-echoën of opmerkingen die vooruitlopen op wat later uitvoeriger zal worden verteld.

Zo is het mogelijk dat Lobo Antunes in één boek twee tijdslijnen volgt. Er is de nacht van herinnering, bekentenis en uitspatting – en er zijn de jaren die daaraan voorafgaan: voor, tijdens en na de revolutie. Vaak springt het verhaal per zin over van de éne verteller naar de andere. We horen wat de één zegt, en dan de ander, maar ook wat een derde denkt en een vierde daarbij associeert – of hoe hij, afwezig, verder op zijn eigen herinneringen voortmijmert. Fado Alexandrino leest zoals een groepsgesprek klinkt: een geluidsdecor waaruit zich flarden van zinnen losmaken, om weer terug te vallen in het achtergrondgeruis. Aan het vakmanschap van Lobo Antunes is het te danken dat de lezer, die na de eerste desoriënterende bladzijden (Lissabon? Lourenço Marques?) eenmaal zijn draai gevonden heeft, ondanks alle complexiteit nergens het spoor bijster raakt.

Het is niet alleen deze akoestische manier van schrijven die het lezen van Fado Alexandrino tot een bijzondere fysieke ervaring maakt. Ook de woorden en beelden waarmee Lobo Antunes de werkelijkheid beschrijft (door Harrie Lemmens in even natuurlijk als zintuiglijk Nederlands vertaald), blijven in hun smoezeligheid aan huid van de lezer kleven. Het is dan ook geen aangename wereld die Lobo Antunes beschrijft. Daar doen de bijna kluchtige scènes waarin het marxistisch-maoïstische splintergroepje een bank probeert te overvallen of zelfs de president te ontvoeren, niets aan af. Het onbehagen dat de lezer overvalt is de uitdrukkelijke bedoeling van de schrijver. ‘Er is,’ zo schreef hij ooit over zijn eigen werk, daarin ‘geen sprake is van een verhaal in de normale betekenis van het woord, maar slechts van grote concentrische cirkels die smaller worden en schijnbaar verstikkend werken. [...] Werp af die kleren van beschaafde schepsels, die vol voorbehouden zitten, en sta uzelf toe te luisteren naar de stem van uw lichaam.’

Want ‘het echte avontuur dat ik voorstel, is het avontuur dat verteller en lezer samen gestalte geven in het donker van het onbewuste, bij de bron van de menselijke aard. [...] Het vertrouwen in de algemene waarden moet bladzij na bladzij vervliegen, onze bedrieglijke innerlijke samenhang moet stap voor stap de betekenis verliezen die hij niet heeft en die wij er toch aan geven, en uit die schok moet een andere orde ontstaan, misschien bitter maar onvermijdelijk.’

Om die compromisloze analyse (van Portugal, van de 20ste eeuw, van de politiek, van de moraal, van de humaniteit) en om het revolutionaire literaire vernuft dat Lobo Antunes boek voor boek in zijn oeuvre heeft ontvouwd, werd hem dit jaar de Camões-prijs toegekend: de grootste literaire onderscheiding die het Portugese taalgebied kent. Vrijwel op hetzelfde moment kreeg hij te horen dat hij leed aan een ernstige vorm van kanker. Zijn onthutsing verwerkte hij vorige week in een aangrijpende column in het weekblad Visão (zie kader): op zichzelf een klein literair meesterwerkje.

Zijn grootste meesterproef tot nu toe is ongetwijfeld Fado Alexandrino. Lobo Antunes vergt daarin mee van de lezer dan het geval is bij zijn zoveel aaibaarder landgenoot Saramago, in wiens schaduw hij tot nu toe in Nederland is blijven staan. Hoe zeer ten onrechte dat is, bewijst de nu verschenen vertaling van een roman die tot de grootste uit de hedendaagse literatuur behoort.

Van Lobo Antunes zijn vertaald: ‘Vogelvlucht’, ‘Het handboek van de inquisiteurs’, ‘De glans en pracht van Portugal’, ‘Preek tot de krokodillen’, ‘Verdwijn niet zo snel in die donkere nacht’ en ‘De judaskus’. Alleen de laatste titel is nog leverbaar (bij Cossee). A.s. zondag wordt er, als onderdeel van Het Groot Beschrijf in Brussel, een programma gewijd aan Lobo Antunes en ‘Fado Alexandrino’ (Ateliers van de Munt, Fiocco-zaal, van 15.00 tot 1600 u.)