In skyline wil je niet wonen

Rotterdam is nog altijd een werkstad, maar de werkers wonen er niet meer. Het is een stad van sociale uitkeringen geworden. En een stad met een skyline.

Gezicht op Rotterdamse haven;Kop van Zuid en Erasmusbrug met op de voorgrond openlucht Havenmuseum . foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 24 januari 2007 Mentzel, Vincent

Hij groeide op in Vlaardingen, maar vraag Thom Bakker of hij zich Rotterdammer voelt en hij knikt driftig ‘ja’. „Mijn stad, en dat zal het altijd blijven.” Maar wonen aan de Nieuwe Maas? Bakker peinst er niet over. „Hoger dan de vijfde verdieping wil ik niet. Bovendien: doe in deze stad de ramen open en de dieselwalmen slaan je in het gezicht.”

Nee, geef Bakker (65) maar Krimpen aan den IJssel. „Een buitenwijk van Rotterdam en toch een landelijk karakter, op precies dertien kilometer van het stadscentrum”, zegt de oud-topman van Sijthoff Pers, die over twee maanden afzwaait als vicevoorzitter van de 25 zakenverenigingen tellende Federatie van Rotterdamse Business Clubs (FRBC).

Wat voor Bakker geldt, geldt voor een groot deel van zijn achterban van bijna 5.000 managers en ondernemers: wel werken, maar niet (willen) wonen in de tweede stad van Nederland.

Uit onderzoek blijkt dat meer dan de helft (55 procent) van de Rotterdamse beroepsbevolking niet in de stad zelf woont. Met als gevolg dat de lagere inkomens in de meerderheid zijn en het gemiddeld besteedbaar inkomen per huishouden aanzienlijk lager is (15 procent) dan in heel Nederland.

Philip Tulleken (35) werkt sinds twee jaar als advocaat in Rotterdam bij juristenkantoor Loyens en Loeff. Wonen doet hij in Amsterdam, en dat wil hij zo houden. „Ook al spreekt de open en doortastende manier van werken in Rotterdam mij meer aan dan de schone schijn in Amsterdam.” Toch trotseert Tulleken vrijwel dagelijks de file, want: „Rotterdam heeft een versnipperd centrum en dus een versnipperd uitgaansleven, waarbij je al snel de tram of de bus nodig hebt om de aantrekkelijke plekken te bereiken.”

Ook de veiligheid heeft Tulleken meegewogen bij zijn beslissing Amsterdam trouw te blijven.

[Vervolg ROTTERDAM: pagina 12]

ROTTERDAM

‘Ik werk in een soort ghetto’

[Vervolg van pagina 11] Tulleken: „Ons kantoor is gevestigd in de Milleniumtoren, niet zo ver van de Westkruiskade. Met alle respect, maar dat is toch een soort ghetto, waar de tegenstelling autochtoon-allochtoon aanzienlijk scherper is dan in Amsterdam. Als ik tussen de middag ergens een broodje ga eten, doe ik dat niet voor niets altijd samen met collega’s.”

Tulleken is niet de enige hoger opgeleide die de Maasstad links laat liggen. „Het woningaanbod is van oudsher geënt op de lagere inkomens, dus is het niet zo verwonderlijk dat afgestudeerden elders onderdak zoeken”, stelt Stefan Poelsma, voorzitter van een businessclub van oud-Erasmusstudenten (160 leden). „Zeker als daar, zoals op de Zuidas in Amsterdam, de grote multinationals zitten. Daar zit hun brood.”

Rotterdam worstelt bovendien met een imagoprobleem, vindt Sander de Jongh van de Economic Development Board Rotterdam, een onafhankelijke club die de gemeente adviseert. „Terecht of niet, maar voor velen staat deze stad gelijk aan problemen: allochtonen, veiligheid, luchtvervuiling, noem maar op. De beruchte aanvoerder van de foute lijstjes, dat beeld leeft sterk. Vandaar de vele campagnes om het imago op te vijzelen.”

Bij gebrek aan kapitaalkrachtige inwoners laat ook de bedrijvigheid te wensen over. „Rotterdam heeft geen massa”, zegt voorzitter Frans Lavooij van de Rotterdamse Kamer van Koophandel. „Je kan tegenwoordig zelfs op zondag over de hoofden lopen in de Koopgoot [centrale winkelstraat in het centrum, red.], maar dat ‘succes’ is vooral het succes van de omliggende gemeenten, en die willen dat graag zo houden. Daar willen mensen immers wel wonen, niet in het weinig tot de verbeelding sprekende Rotterdam.”

Ook Thom Bakker, tevens voorzitter van Rotterdams grootste businessclub (450 leden), de World Trade Center Club, hoeft niet lang te denken over de vraag waarom Rotterdam geringe populariteit geniet als vestigingsstad. „De hoogbouw is veel te ver doorgeschoten. Het woningaanbod [70 procent sociale woningbouw, red.] sluit nog altijd niet aan op de kritische wensen van pas afgestudeerden. In de eerste jaren na je studie ben je best bereid om op tien hoog te gaan wonen. Sterker nog: dat is mooi en uitdagend. Maar na een paar jaar, als het eerste kindje op komst is, wil je naar de begane grond, als het even kan mét tuintje maar dan niet in zo’n truttige doorzonwoning aan de stadsrand.”

Dat geldt voor zowel de autochtone als de allochtone bevolking, blijkt uit het deze maand gepresenteerde onderzoek Kiezen voor de Stad van de Erasmus Universiteit en Movisie, een maatschappelijk kenniscentrum dat zich richt op ‘leefbaarheid’. Het multiculturele Rotterdam (47 procent allochtonen) staat volgens de onderzoekers een nieuwe uittocht te wachten, vergelijkbaar met de ‘witte vlucht’ uit de jaren zeventig, nu de groeiende allochtone middenklasse een uitgesproken voorkeur heeft voor nieuwbouw in veilige, groene wijken met gemengde scholen.

Om verdere sociaal-economische uitholling tegen te gaan, presenteerde het college van B en W twee maanden geleden de Stadsvisie: een stedebouwkundig vergezicht met daarin de kwaliteitseisen waar Rotterdam in 2030 aan zou moeten voldoen. Kern van het plan: een sterke economie en (dus) een aantrekkelijke woonstad. Het plan behelst de bouw van in totaal 56.000 woningen en dat, anders dan voorheen, stuk voor stuk binnen het bestaande stedelijk gebied. „Bouwen binnen de stad betekent meer koopkracht en versterking van het draagvlak van voorzieningen in het algemeen, en vooral een toename van het aantal midden- en hoge inkomens”, schrijft het college in een toelichting op het aanwijzen van dertien ‘VIP-projecten’, waarvoor het 300 miljoen euro wil uittrekken. De resterende 3 miljard euro moet ‘uit de markt’ komen.

Martien Kromwijk, directeur van wooncorporatie Woonbron, heeft het plan ook gelezen. Hij is niet onder de indruk van „de encyclopedische opeenstapeling van vele gedachten”. Grijnzend: „Het doet me denken aan die hit van Queen: I want it all, I want it now”. Zijn corporatie heeft ruim 20.000 woningen in Rotterdam, en is een van de partijen in het samenwerkingsverband tussen gemeente en deelgemeenten voor de revitalisering van Zuid. De opdracht waar de stad voor staat is volgens Kromwijk simpel. „Stop de uittocht naar alles wat met een B begint: Barendrecht, Bleiswijk, Berkel en Rodenrijs, etcetera. Luister daarbij naar de wensen van de mensen die er nu wonen, want die moet je sowieso vasthouden. En kies voor eigen woningbezit, want Rotterdam heeft nu simpelweg te veel huurwoningen. Koester de skyline met de hoogbouw, maar dan vooral als marketinginstrument. In een skyline kan je niet wonen.”

Toch is het die skyline waar Rotterdam graag mee mag pronken. Wonen voor de happy view, meldt een billboard bij een bouwproject in de Wijnhaven. Het is een van de vele voorbeelden van de koortsachtige pogingen van de stad om de high potentials aan zich te binden.

Een ander middel daartoe is de vorige week gelanceerde starterslening, waarbij net afgestudeerden de eerste drie jaar geen rente en aflossing betalen. De subsidie, gefinancierd door de gemeente, het ministerie van VROM en de projectontwikkelaars, overbrugt het verschil tussen de huizenprijs en het bedrag dat starters op de woningmarkt maximaal kunnen lenen volgens de richtlijnen van de Nationale Hypotheek Garantie.

John Manhave is projectontwikkelaar in Rotterdam, net als zijn vader en grootvader. Hij wenst het stadsbestuur „heel veel succes, want dat zullen ze nodig hebben”. Over de woonkwaliteit van zijn stad is de directeur van Manhave Vastgoed somber gestemd. „Het kost me als Rotterdammer moeite toe te geven, maar met zo’n slechte bereikbaarheid van het centrum – waar de boel constant overhoop ligt – én de ronduit smerige buitenruimte houd je geen mensen vast.” Manhave citeert uit een brief van een huurder die onlangs zijn vertrek aankondigde. Een leuke stad, maar de overlast en de slechte bereikbaarheid dwingen hem afscheid te nemen van zijn woning in het centrum en naar een andere stad te verkassen. Manhave: „Deze meneer is geen uitzondering.”

Het centrum is met amper 30.000 inwoners al zo ‘leeg’. Telt Amsterdam voor elke werkplek in het centrum ook één woonplek, in Rotterdam is dat drie op één. En dus moet het stadshart op de schop, omwille van ‘Rotterdammers met een bredere beurs’.

Maar de minder bedeelde bewoners dan? Waar mogen die naartoe? Naar de rafelranden van de stad, als slachtoffer van de gentrification? „Rotterdam wordt geen Parijs aan de Maas”, bezweert PvdA-wethouder Dominic Schrijer (Werk, Sociale Zaken en Grotestedenbeleid). „Bij ons gebeurt het omgekeerde van wat zich in Amsterdam voltrekt: hier drukt de sociale onderklasse de bovenlaag weg uit de stad. Het gaat ons erom te mixen.”

Een nobel streven, vindt FRBC-bestuurder Thom Bakker. „Maar laat dit college eerst eens durf en leiderschap tonen.” Zijn scepsis wordt gevoed door het grootschalige bouwproject op de Kop op Zuid, dat bedoeld was als ‘het verlengde stadshart aan de overkant van de Nieuwe Maas’. „Daar zit nog altijd geen leven in, omdat het niet gelukt is het vrije ondernemerschap daar te krijgen, bij gebrek aan massa. Allerlei hulpprogramma’s heeft de gemeente daar vervolgens op losgelaten, om aan het einde van de looptijd van zo’n project de bijl te laten vallen. Heel dom, want dan waait een kasplantje zo weer om.”