In de gordel van geweld

Het vaak paradijselijk voorgestelde Indonesië kent een opmerkelijke geschiedenis van geweld. Opvallend daarbij is de rol van de overheid als dader, opdrachtgever of gedoger.

Margreet van Till: Batavia bij nacht. Bloei en ondergang van het Indonesisch roverswezen in Batavia en de Ommelanden, 1869-1942. Aksant, 284 blz. €24,90

B. Bouman: Ieder voor zich en de Republiek voor ons allen. De logistiek achter de Indonesische Revolutie 1945-1950. Boom, 469 blz. €29,50

Antonie C.A. Dake: The Sukarno File, 1965-1967. Chronology of a Defeat. Brill, 503 blz. €75,–

John Roosa: Pretext for Mass Murder. The September 30th Movement and Suharto’s Coup d’État in Indonesia. The University of Wisconsin Press, 329 blz. €51,–

Indonesië kan terugkijken op een lange geschiedenis van massaal geweld. Een langgerekte keten van bloed slingert zich door de 20ste eeuw. Van de koloniale veroveringsoorlogen, de gewelddadige vrede van de koloniale tijd, de Japanse inval, de revolutie, de burgeroorlogen van de jaren vijftig, de massamoorden van 1965, de repressie van Suharto, tot de etnische en religieuze conflicten van het laatste decennium. Geweld en Indonesië lijken onlosmakelijk verbonden.

Dat is ook een kwestie van beeldvorming. Er kan bijna geen boek over Indonesië verschijnen, of het gaat over bloedvergieten en conflict. Maar hoe het komt dat Indonesië zoveel geweld kent, blijft ongewis. Is de Indonesische cultuur gewelddadig? Is het de schuld van het koloniale verleden? Of komt het door de speciale rol van het het leger sinds de revolutie, als ordebewaker en economische macht? Het is allemaal geopperd, maar alle verklaringen ketsen af op de duizelingwekkende diversiteit van het geweld. Daders, slachtoffers en motieven zijn bij elke nieuwe uitbarsting weer anders.

Ondanks de grote variëteit doemen wel enkele contouren op. Wat bijvoorbeeld opvalt, is de betrokkenheid van de opeenvolgende regimes bij veel van het geweld, als dader, opdrachtgever, aanstichter of gedoger. Het gebrekkige opereren van de staat heeft de grenzen tussen misdaad en recht doen vervagen en het eigenrichting gelegitimeerd. Dat was al zo in de Nederlandse tijd.

Een mooi voorbeeld van de gebrekkige wijze waarop het koloniale regime de orde bewaakte, geeft Margreet van Till in Batavia bij nacht. Hierin beschrijft zij de opkomst en ondergang van het bendewezen in de omgeving van Batavia in de laatkoloniale tijd. Het koloniale bestuur stond vaak machteloos tegenover de bandieten, die zich op de uitgestrekte landerijen schuilhielden en met bliksemacties de landgoederen terroriseerden.

De situatie rond Batavia maakt duidelijk dat de gelegenheid de dief maakt. Juist door het gebrekkige gezag in deze streken hadden roversbenden vrij spel. Er woonden veel Chinezen en (Indo-)Europeanen, zodat roof lucratief was. Er was een groot reservoir van landloze arbeiders en arbeidsmigranten die op een carrière als rover konden overstappen. En de politiemacht was zelden toereikend om de rust en orde te bewaken. De koloniale overheid had dan ook meestal het nakijken. Een gevolg was dat kampongbewoners zich gedwongen zagen om zelf hun have en goed te verdedigen. Pas in de laatste twintig jaar van het Nederlandse regime maakte de ordehandhaving enige vorderingen.

Een typische roofoverval ging zelden gepaard met grof geweld en het aantal moorden bleef in de koloniale periode beperkt, zeker in vergelijking met wat Indonesië in latere decennia zou zien. De bandieten waren eerder een soort ondernemers in afpersing en roof dan moorddadige geweldenaars. Wapens dienden om in de lucht te schieten, de rovers moesten het hebben van intimidatie en de magische krachten die hun werden toegeschreven. Ze tooiden zich graag in wilde uitdossing, of verkleed als vrouwen, filmsterren of politiebeambten.

Het geweld dat in de revolutie na 1945 uitbrak, maakte soms gebruik van dezelfde rituele repertoires, maar was veel gewelddadiger dan de doorsnee rampok van voor de oorlog. In veel gebieden ontstonden handelaren in geweld die onder het banier van de revolutie opereerden. Wel ging het nog steeds vooral om afpersing, maar het geweld was veel grootschaliger en vooral ook sadistischer. Het onderscheid tussen soldaten van het Republikeinse leger en ongeregelde bendes bleef vaak onduidelijk.

Over de organisatie van het Indonesische leger in revolutietijd gaat Ieder voor zich en de Republiek voor ons allen van de historicus en veteraan van het Nederlandse militaire optreden in Indonesië B. Bouman. Hij beschrijft hoe de jonge Republiek haar leger van wapens en materieel voorzag en een strategie ontwikkelde voor de strijd tegen de teruggekeerde Nederlanders. Eerst ging dat door het plunderen van de Japanse wapendepots, door smokkel uit omringende landen, en uit de voorraden van het Nederlandse leger. Het was nooit genoeg. De gehele revolutietijd door waren de meeste Indonesische troepen bewapend met een ratjetoe aan oud Nederlands-Indisch materiaal, buitgemaakte Japanse wapens en tweederangs wapens uit de provisorische wapenfabrieken die door de Republiek werden opgezet.

Slecht bewapend en vaak zonder soldij moesten de Republikeinse soldaten het superieure Nederlandse leger te lijf. Al snel ontwikkelden de Indonesiërs guerrillatactieken. De Republikeinse generaal A.H. Nasution ontleende aan de Duitse krijgstheoreticus Von Clausewitz het idee van de totale volksoorlog. Java werd in ‘Wehrkreise’ opgedeeld waar minder goed bewapende eenheden logistieke diensten verrichtten voor de mobiele gevechtseenheden. De grenslijnen tussen leger, gewapende bendes en de burgerbevolking bleven vaag. De ervaring van de revolutie is in veel opzichten bepalend geweest voor de Indonesische samenleving. Meer dan in welke andere ex-kolonie werd de Indonesische bevolking voor de strijd tegen de koloniale tegenstanders gemobiliseerd. Bovendien zijn de generaals nooit meer uit het Indonesische politieke leven weg te denken geweest. Zij hadden in de revolutie een sleutelpositie verworven en zouden in de jaren vijftig een essentiële rol spelen in het neerslaan van de vele lokale opstanden.

Zeven generaals

Verreweg de meest gewelddadige episode in de Indonesische geschiedenis volgde na de moord op zeven generaals in de ochtend van 1 oktober 1965 door een groep officieren en enkele prominente communisten die zich als de 30-Septemberbeweging (G30S) bekendmaakte. De actie was een poging de macht van de anti-communistische generaals te breken door ze te ontvoeren en af te zetten. De actie was echter slecht voorbereid. De generaals verzetten zich tegen hun ontvoering en werden gedood. Generaal Suharto, toen bevelhebber van de speciale troepen, weigerde de kant van de putschisten te kiezen en dwong de opstandige troepen tot overgave. Binnen een dag was de actie voorbij, maar de werkelijke tragedie moest nog beginnen. Suharto schoof alle schuld op de communisten en startte onmiddellijk een gerichte pogrom.

Binnen een jaar zijn ten minste een half miljoen leden en sympathisanten van de PKI, de Indonesische communistische partij, vermoord. Dit bloedbad is nog maar nauwelijks onderzocht, maar de ‘coup’, zoals de actie van de G30S vaak wordt genoemd, des te meer. Zo verschenen er onlangs weer twee studies: de ene van de Nederlandse ondernemer-politicoloog Antonie Dake, de andere van de jonge Amerikaanse historicus John Roosa. Dake wijst met de vinger naar president Soekarno als het meesterbrein van de beweging. Hij leunt hierbij sterk op het ondervragingsrapport van Bambang Widjanarko, de vroegere adjudant van Soekarno. De ondervraging vond vijf jaar na de gebeurtenissen en vlak na de dood van Soekarno zelf plaats; in een jargon dat rechtstreeks aan Suharto-kringen is ontleend.

Het gedrag van Soekarno in de nacht en ochtend van de actie wijst er helemaal niet op dat hij de poppenspeler was die achter de beweging zat, eerder op een leider in verwarring. Al wist hij waarschijnlijk dat er iets op handen was, net als generaal Suharto, uit niets blijkt dat hij precies op de hoogte was van de plannen. Hij maakte de vergissing om zich naar het hoofdkwartier van de opstandelingen te begeven. Hij onderhield zich met een van de leiders, maar weigerde zijn steun aan de actie te verlenen, en vertrok.

Anders dan Dake is John Roosa wel op zoek gegaan naar nieuwe bronnen en heeft hij de moeite genomen om ooggetuigen van de coup te spreken. Ook Roosa’s conclusies komen niet verder dan een goed beredeneerde waarschijnlijkheid, maar zijn onderzoek biedt wel nieuwe gezichtspunten. Hij maakt in elk geval niet de vergissing één enkel meesterbrein achter de ‘coup’ te willen aanwijzen. Zo bevestigt hij het beeld dat de verschillende deelnemers elkaar hadden gevonden in de wens de conservatieve generaals af te zetten. Wel maakt Roosa aannemelijk dat partijleider Dipa Aidit en de wat duistere inlichtingenman van de PKI, Kameraad Sjam, een sterkere stem hadden in de samenzwering dan tot nog toe is verondersteld. Maar van een formele en massale betrokkenheid van de communistische partij was geen sprake.

Repressie

Belangrijker nog is Roosa’s poging om een rechtstreeks verband te leggen tussen de mislukking van de G30S-beweging en Suharto’s gewelddadige repressie van de PKI. De troepen van Suharto begonnen al op 2 oktober met het oppakken van communisten, toen onmogelijk duidelijk kon zijn wie er achter de beweging zaten. Roosa betoogt dat Suharto met dit voornemen rondliep en slechts de gelegenheid afwachtte om het land van alle communistische invloeden te ontdoen. Het gevolg was de grootste massaslachting uit de Indonesische geschiedenis. Die werd in goede traditie niet alleen door het leger uitgevoerd; het kreeg steun van lokale, vaak islamitische milities.

Hiermee kwam geen einde aan het geweld: ook onder het repressieve regime van Suharto bleven paramilitaire of criminele organisaties in de schaduw van het formele gezag opereren. In de afgelopen tien jaar is het hele geweldsrepertoire nog eens als een macabere reprise langsgekomen: separatistisch geweld, etnische strijd, de gewelddadigheden jegens Chinezen, de dodelijke allianties van het leger met criminele bendes en, meest recent, de religieus geïnspireerde terreur. Dat laatste is minder nieuw dan vaak wordt verondersteld.

De overwinning van het seculiere nationalisme en de ontkerkelijking van westerse wetenschappers hebben de religie als motiverende of sanctionerende kracht van crimineel geweld verdonkeremaand. Maar de Bataviase rovers tooiden zich graag in het witte habijt van de hadji (Mekka-pelgrim); veel geweld in de revolutie werd gepleegd onder jihadistisch vaandel; en de pogroms in 1965-66 werden vaak gesteund door islamitische milities.

Maar bovenal toont het geweld het echec aan van een staat die het geweld niet in eigen hand kan houden. Dat onvermogen is een product van de geschiedenis van de 20ste eeuw. De partijdigheid van de staat is een erfenis van het koloniale verleden; de traditie van mobilisering van het volk voor politieke doeleinden is er een van de Japanse tijd en revolutie. Toch is er niet alleen aanleiding voor somberheid. Juist de recentste ontwikkelingen bieden enige hoop voor de toekomst, door de uitdijende markt, de functionerende democratie, en de ontplooiing van een neutraler staatsapparaat. Tijd voor een Pax Indonesica.