Het nieuwe Zweedse record wangslijm-afnemen

Het nieuwe Zweedse record wangslijm-afnemen

‘O mijn God, dit is hoe politiewerk in het echt verloopt.’ Deze afschuwelijke gedachte overmant de lezer van Linda, een boek dat continu doet grinniken maar een ijzige ondertoon heeft.

Småland zucht onder een absurd hete zomer. In de slome straten van het stadje Växjö verroert zich slechts de hitte. Dan wordt de extreem brute Linda-moord gepleegd. Het tragikomische politiecircus dat Växjö vervolgens vanuit Stockholm aandoet, wordt in Linda door misdaadauteur en criminoloog Leif G.W. Persson zo briljant beschreven dat de lezer vijfhonderd pagina’s lang met opgetrokken wenkbrauwen zit te hopen dat dit toch alsjeblieft de werkelijkheid niet benadert.

Maar omdat Persson al decennia lang verkeert in het Zweedse politiemilieu, valt te vrezen dat dit verslag van de anatomie van een fictief moordonderzoek de onthutsende realiteit beschrijft. Het onderzoek naar de dood van Linda brengt een stoet stommelingen, roekelozen en ijdeltuiten op de been die we herkennen van elke werkkring – denk aan Voskuils Het Bureau – maar dat we in een bedrijf dat moorden onderzoekt niet willen aantreffen. Geen spannende achtervolgingen en schietpartijen, geen briljante deductie en larger-than- life-personages. Nee, kleurloze incompetentie, oeverloze vergaderingen en groeiende papierbergen.

Dit is de wereld van de hufter Bäckström, altijd op zoek naar declarabele onkosten, ‘het eerste koude pilsje van de dag’ en naar ‘vrouwtjes’ die hij in zijn stevige grenenhouten Ikea-bed kan laten kennismaken met zijn ‘supersalami’. Bäckström acht zichzelf de enige competente rechercheur in het Linda-onderzoek maar wordt door Persson met overduidelijk genoegen neergezet als het prototype politieklootzak, beroepshalve op zoek naar bevestiging van zijn talrijke vooroordelen.

Slachtoffer Linda deed bijvoorbeeld aan damesvoetbal: ,,‘Was ze niet gewoon een befteef?’ zei Bäckström. Kut, dacht hij, maar toen was het al te laat. ‘Pardon?’ zei Anna en keek hem met grote ogen aan. ‘Wat zei je? Hoe noemde je haar?’ ’’

Bäckström onderzoekt het liefst alle lesbiennes en zwarten van Växjö en vestigt een Zweeds record wangslijm-afnemen: zevenhonderd inwoners worden oraal op dna gescreend, de wattenstaafjes zijn niet aan te slepen. Bij iedere wending in het onderzoek doet zich hetzelfde patroon voor:

,,‘Wangslijm!’, brulde Bäckström’. ’’

Het mysterie van de Linda-moord blijft, juist door het moeizame onderzoek en de pure lulligheid van bijna alle betrokkenen, tot het eind toe zeer intrigerend. Spannend is niet het goede woord, zenuwslopend wel. In diverse opzichten.

Leif G.W. Persson: Linda. Vertaald door Jasper Popma en Wendy Prins. Cargo, 526 blz. € 19,90

Een Mexicaans drama met Duits pratende planten

Na het geweldige Een simpel plan moesten we veertien jaar wachten op een tweede boek van Scott Smith. Ruïne doet verslag van de noodlottige tocht die zes Westerse jongeren ondernemen naar een heuvel in het oerwoud van Mexico. Aldaar onderzoeken archeologen een Maya-ruïne maar eenmaal gearriveerd blijken zij dood te zijn. Hun aangevreten karkassen zijn overwoekerd door vreemdsoortige slingerplanten, bij nadere beschouwing de enige bewoners van de heuvel. Een intrigerende premisse: een doodstille heuvel met lege tenten, het zeil wapperend in de wind. Wat is hier gaande?

Het antwoord van Scott Smith bevredigt zijn eigen hoofdpersonen niet eens, laat staan de lezer. De slingerplanten zijn de boosdoeners. Ze denken en bewegen. Zulke bovennatuurlijke ingrediënten dienen met meesterhand te worden geserveerd, maar Smith laat zijn planten Duits praten en mobiele telefoons nadoen. Zelfs de jongeren zijn verontwaardigd over alle onopgehelderde onzin. Ze hebben geen idee wat hen overkomt en de schrijver kennelijk ook niet. De loepzuivere karakters en moordende logica van Een simpel plan (binnenkort voor zeven euro verkrijgbaar als Poema pocket) ontbreken geheel in deze plantaardige warboel die van begin tot eind voorspelbaar is. Voor echt enge planten leze men het werk van John Wyndham en Jacques Hamelink.

Scott Smith: Ruïne. Vertaald door Bob Snoijink. Luitingh, 399 blz. € 18,95

Van samovar naar samovar in Sint Petersburg

Assistent-inspecteur Ilya Porfiri Petrovitsj kraakte zijn eerste en enige moordzaak toen Dostojevski hem in 1866 opvoerde in Misdaad en straf . Nu is hij door R.N. Morris opnieuw op een zaak gezet in de bedwelmende historische thriller De fluwelen bijl. Morris promoveerde Porfiri tot inspecteur maar handhaafde diens interesse in psychologie, het vreemde geknipper met zijn ogen en zijn baas, hoofdinspecteur Nikodim Fomitsj. Er zijn talrijke meer obscure verwijzingen naar Misdaad en straf maar die leiden de aandacht niet af van dit aangenaam atmosferische moordmysterie in het Sint Petersburg van 1866.

Porfiri krijgt te maken met een macabere vondst in het Pertrovski-park. Aan een boom wordt een bungelende tuinman aangetroffen met een bebloede bijl in zijn zak en een valies aan zijn voeten. Daarin bevindt zich een in tweeën gekloven dwerg. De tuinman doodde eerst de dwerg en daarna zichzelf, oordeelt de procureurzaak gesloten. Porfiri vermoedt een doorzichtige set-up en gaat op onderzoek uit in de ijskoude stad.

Hij verdenkt aanvankelijk de straatarme student Virginski van de dubbele moord. Virginski doet Porfiri uiteraard verdacht veel aan aan zijn vorige zaak denken, maar ongehinderd door tunnelvisie ploegt hij zich door de sneeuwjacht naar de huizen van de hogere klassen, die meer te verbergen hebben dan Virginski.

De talrijke personages worden door Morris beknopt maar gaaf neergezet: het liefdesleven van een augurken verslindende conciërge krijgt in anderhalve pagina hartverscheurend vorm. De interne strijd tussen ratio en geloof, waaraan iedereen ten prooi lijkt, is gekopieerd van Dostojevski maar werd door Morris aangevuld met Porfiri’s morele strijd met het Russische juridische systeem.

De lezer die met de personages mee sjokt van samowar naar samowar, in de eenzame voetsporen van de lantaarnopstekers die Sint Petersburg tegen de schemering doorkruisen, bekruipt een gevoel van ouderwetse lezen-bij-de-haard gezelligheid. De fluwelen bijl doet verlangen naar meer werk van Morris, die klassieke literatuur doceert in Cambridge en slim genoeg is om zijn boek niet te overladen met intellectuele bagage, waardoor het pienter blijft en niet pompeus wordt. Serveren met koolsoep en veel wodka.

R.N. Morris: De fluwelen bijl. Vertaald door Otto Biersma en Paul Bruijn. Cargo, 350 blz. € 18,90

Verder

verschenen

Lazarus is het dertiende boek van Ian Rankin in de John Rebus-reeks (Luitingh, € 18,95). Rebus gaat terug naar de politieacademie en raakt verzeild in morele dilemma’s van het genre ‘goede versus slechte smeris’, aangevuld met een hernieuwde confrontatie met aartsvijand ‘Big Ger’ Cafferty. Een wederom uitmuntend boek, maar zuipschuit Rebus verveelt zo langzamerhand wel een beetje.

De Amerikaanse Joyce Carol Oates is sowieso productief, maar ze houdt er ook nog twee pseudoniemen op na. Lauren Kelly is er een van. Haar tweede boek Het gestolen hart (De Geus, € 19,90) is een prima psychologische thriller over een warrig rijkeluismeisje dat alles met seks oplost. Geen slappe chicklit, maar juist tamelijk ziek.

Wie de prachtige Marseille-trilogie van wijlen Jean-Claude Izzo over Fabio Montale nog niet las, (Teringzooi, Gajes en Solea) kan dat beter eerst doen. Daarna Eindpunt Marseille (De Geus, € 18,90), een gevoelige roman over een zeeman te Marseille die zijn geliefde uit maffia-klauwen probeert te redden. Izzo balanceert gracieus op het randje van het genre.