Het mooie en weerzinwekkende

Max Beckmann, één van de grootste schilders van de 20ste eeuw, woonde tien jaar in Nederland. Bijna onopgemerkt. Nu wordt hij hier geëerd met twee tentoonstellingen.

In de schilderijen van Max Beckmann (1884-1950) zijn schoonheid en monstruositeit één geheel. Hij creëerde een theater van de wereld, met circusartiesten en acteurs, vol van doodsangst en lelijkheid, en tegelijk vol van vreugde en vitaliteit. Dit komt vooral door de werking van kleur. Beckmann beeldhouwde met kleur op het platte vlak, hoe onmogelijk dit ook klinkt. Zijn schilderijen zijn noest en stug, de mensen erin solide en tastbaar. Hij gebruikte zeegroen, oranje, okergeel, paars, roze – vloekende kleuren die hier volkomen vanzelfsprekend zijn.

De kleuren krijgen hun diepte door zwart. Zwart was voor Beckmann een kleur, en wel de belangrijkste. Hij schilderde zwarte vlakken als gaten: een jasje, oogkassen, schaduw. En hij bakende vormen af met diepzwarte contouren, als glas-in-lood. Maar het opmerkelijkst is dat álle kleuren door Beckmann gedacht of gemaakt zijn vanuit het zwart. Vreemd genoeg worden ze hierdoor niet dof, maar stralen ze juist des te meer, in alle denkbare nuances blauw, geel, rood. Zwarte arceringen en vegen geven de kleur volume en ruimtelijkheid. Duisternis en licht zijn volkomen met elkaar verweven, wat de schilderijen van Beckmann een grote dramatische lading geeft.

Dit kleurgebruik belichaamt de tegenstelling van leven en dood. Het is ook de bevestiging van schoonheid midden in de Tweede Wereldoorlog, toen Beckmann een appartement bewoonde in Amsterdam, aan het Rokin 85, waar hij ook een atelier had. Zijn ballingschap in Nederland duurde van 1937 tot 1947. Eén van de eerste schilderijen die Beckmann maakte in deze periode is De Koning, begonnen in Berlijn in 1933 en voltooid in 1937.

De koning, herkenbaar als een zelfportret, zit frontaal en wijdbeens op een troon, gekleed in een paars harlekijnspak en met een gouden kroon op het hoofd. Een veel kleiner geschilderde vrouw (Beckmanns vrouw Mathilde von Kaulbach, ‘Quappi’) zoekt bescherming bij hem. In Amsterdam wijzigde Beckmann de compositie en voegde overal zwart toe, waarmee het tafereel veranderde in een donker, melancholiek visioen.

De jaren in Amsterdam zijn zeer productief geweest. Dankzij een Duits netwerk van kunsthandelaren en de hulp van enkele verzamelaars en vrienden in Amsterdam liep de verkoop van zijn werk tot het najaar van 1944 door en kon hij zich van de benodigde materialen voorzien. Van de negen drieluiken die Beckmann voltooide en die tot zijn belangrijkste werken worden gerekend, produceerde hij er vijf in Amsterdam. Daarnaast schilderde hij tal van portretten en zelfportretten, stillevens en landschappen, en maakte hij ook tekeningen en grafiek, waaronder een indrukwekkende serie van 27 litho’s over de Apocalyps.

Zo’n vijftig schilderijen en een groot aantal tekeningen uit de Amsterdamse periode zijn nu in het Van Gogh Museum te zien, op een tentoonstelling die georganiseerd is in samenwerking met de Pinakothek der Moderne in München. Daarnaast toont het Bijbels Museum de Apocalyps in twee versies: de oorspronkelijke zwart-wit litho’s en de litho’s die door Beckmann met aquarel zijn ingekleurd.

Beckmann was een gevierd kunstenaar

, die goed verkocht en in 1926 Duitsland vertegenwoordigde op de Biënnale van Venetië. Op 19 juli 1937 ging de tentoonstelling Entartete Kunst open in München; op dezelfde dag vertrok Beckmann met Quappi uit Berlijn naar Amsterdam. In de tentoonstelling waren van Beckmann tien schilderijen en een groot aantal grafiekbladen opgenomen. Al eerder was de schilder als ‘gedegenereerd kunstenaar’ ontheven van zijn positie als docent in Frankfurt en had hij een expositieverbod opgelegd gekregen. Hij zou nooit meer in Duitsland terugkomen.

In afwachting van een visum reisde hij vanaf 1937 heen en weer tussen Parijs en Amsterdam. Toen Beckmann in 1940 door Ludwig Mies van der Rohe (voorheen directeur van het Bauhaus) werd uitgenodigd om les te geven in Chicago, was het te laat. Een visum werd hem geweigerd en door het uitbreken van de oorlog kon hij Nederland niet meer verlaten.

Het is verleidelijk om Beckmanns schilderijen te interpreteren in het licht van de oorlog en de extreme politieke omstandigheden, en soms is daar ook aanleiding toe. Zo schilderde hij De bevrijde man kort na zijn verhuizing naar Amsterdam. In dit zelfportret toont hij zich bevrijd van handboeien, op de achtergrond schilderde hij tralies en op zijn schouder schreef hij ‘Amerika’.

Vrijheid is een belangrijk thema in zijn oeuvre, met een algemene, metaforische, haast religieuze dimensie. Sinds Hitler aan de macht was had hij meer dan genoeg van politiek en van wat hij noemde ‘art engagé.’ Beckmann was een hyperindividualist. „Het grootste gevaar dat de mensheid bedreigt is het collectivisme”, stelde hij.

De betekenis van zijn drieluiken en van zijn andere, meer verhalende composities blijft grotendeels onduidelijk. Ze zijn gebaseerd op persoonlijke ervaringen en op teksten die slechts een enkeling gelezen heeft, van de Kabbala tot geschriften van Anglo-Indiase theosofen en de ‘Geheime Doctrine’ van Helena Petrovna Blavatsky. Beckmann wilde „greep krijgen op de magie van de werkelijkheid en die omzetten in schilderijen […] Dan worden vormen wezens die te begrijpen zijn in de grote leegte en onzekere ruimte die ik God noem.” God was voor hem ook „een groot en eeuwig veranderend aards drama, en een eenheid van zwart en wit, […] en van het mooie en weerzinwekkende”. Hij zag het als zijn taak om aan dit drama vorm te geven.

Het drieluik De Acteurs (1941/’42), middendeel 200 x 150 cm, zijdelen 200 x 85 cm) is volgestopt met figuren in een kleine, benauwende ruimte. Links spreekt een regisseur met een als primitieve krijger verklede man, rechts bekijkt een blonde vrouw zichzelf in de spiegel met naast haar een klassieke Januskop op een sokkel, en in het midden pleegt een koning zelfmoord met een dolk, daarbij toegezongen door een gemaskerde vrouw. De regisseur zou Beckmanns vriend en dichter Wolfgang Frommel zijn die jonge mannen bij zich liet onderduiken in Amsterdam.

De koning lijkt, alweer, op Beckmann,

die vrijwillig het toneel van het leven met zijn mooie vrouwen en narren verlaat. Maar veel belangrijker is het om het werk als beeld te bezien, gelaagd en kleurrijk vol coulissen, verdubbelingen (een onder- en een bovenwereld) spiegelingen en verschuivingen, in een onbegrijpelijke, wankelende ruimte. Steeds ontdek je nieuwe dingen. Beckmann doet er alles aan om te voorkomen dat je het werk in zijn geheel kan vatten.

De vorm van het drieluik is afgeleid van oude altaarstukken. De Vlaamse schilderkunst was ook een belangrijke inspiratiebron. Voor Beckmanns drieluiken waren er geen kerken of andere openbare gebouwen, maar hij stelde zich voor (in een brief uit 1918) dat hij ooit gebouwen voor zijn schilderijen zou ontwerpen: „een toren waarin mensen hun woede en wanhoop uit kunnen schreeuwen en al hun hoop en vreugde en wilde verlangens. Een nieuwe kerk”. Ook later sprak hij over „een nieuw cultureel centrum, een nieuw centrum van geloof” en zelfs in 1945 dacht hij nog over „Beckmann fresco’s”.

Beckmanns ambities waren grenzenloos. Het kunstenaarschap was voor hem goddelijk, en in die zin is zijn hele oeuvre te bezien als één zelfportret. In de Apocalyps heeft Beckmann zichzelf afgebeeld als Johannes die op Patmos een visioen van het einde der tijden ziet.

Toch zijn het niet alleen de grote verhalende werken die bewondering afdwingen. Een hoogtepunt op de tentoonstelling is een schilderij van zijn atelier (Nacht: stilleven met telescoop en verhulde figuur). In de nacht komen dode dingen tot leven en opent zich een onmetelijke diepte. Onovertroffen zijn ook de vrouwenportretten en zelfportretten. Er was één ding dat Beckmann niet kon: het Hollandse landschap schilderen. Het is alsof hij de atmosferische weidsheid ervan niet kon begrijpen, de polder was hem te weinig aards en fysiek, en evenmin begreep hij de platheid van deze ‘strijkplank’, zoals hij Holland noemde. Vergelijk dit met de landschappen die hij in Zuid-Frankrijk maakte: daar werkt het wél, het harde licht op rotsen, heuvels en zee.

Beckmann, die in Amsterdam een kleine kring van vrienden had en verder incognito in de hoofdstad verbleef, vond nooit aansluiting bij de Nederlandse kunstwereld. Hij vertrok in 1947 naar Amerika waar hij als de kunstenaar van wereldformaat die hij was werd binnengehaald. En zo schreef criticus J.M. Prange in Het Parool van 24 mei 1947 dat het „voor ons allen onbegrijpelijk is dat Amsterdam sinds 1937 Max Beckmann, een van de grootste Duitse kunstenaars van onze westerse beschaving, gehuisvest heeft” en dat zijn verblijf grotendeels onopgemerkt is gebleven.

Max Beckmann in Amsterdam, 1937-1947. T/m 19 aug in het Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. Dagelijks 10-18u, vr 10-22u. Inl: www.vangoghmuseum.nl. De Apocalyps van Beckmann. T/m 19 aug in het Bijbels Museum, Herengracht 366-368, Amsterdam. Ma t/m za 10-17u, zo 11-17u. Inl: www.bijbelsmuseum.nl.