Het goedkoopste land van de wereld

Voor ‘Grunberg Onder de Mensen’ reisde Arnon Grunberg naar Paraquay, waar hij op zoek ging naar de christelijke sekte van de mennonieten. Vandaag aflevering 1: „De meeste journalisten komen hier alleen om ons te bespotten.”

Wat me in eerste instantie aantrok in Paraguay was dat niemand die ik kende er ooit was geweest en dat niemand die ik tegenkwam behoefte voelde erheen te gaan. De enige reisgids die ik kon vinden over dat land was enkele jaren oud. Achterin een Lonely Planet over Argentinië stond een soort van P.S. over Paraguay. Het proza had iets plichtmatigs, alsof de schrijver zelf voorvoelde dat dit gedeelte van zijn gids ongelezen zou blijven.

Maar wat mij definitief overhaalde was een artikel in een Duitse krant over de mennonieten. Een christelijke sekte waarvan de leden belang hechten aan pacifisme en om die reden weigeren in dienst te gaan. Verder vindt de doop bij de mennonieten niet bij de geboorte plaats. Volgens hen is de doop een wilsbesluit. De mennonieten spreken Duits, althans een Duits dialect, Plautdietsch genaamd. Ze beheersen ook het Hochdeutsch.

Een Duits sprekende kolonie blanken middenin de jungle, daar wilde ik graag naartoe.

Vanuit Buenos Aires ben ik van plan per jeep naar het noorden te reizen. Hoewel de mennonieten in de jaren twintig van de vorige eeuw een andere route hebben gekozen – via Brazilië waren ze landinwaarts getrokken – lijkt het me verstandig de nederzettingen langzaam te naderen.

In Buenos Aires verklaren mensen me voor gek dat ik naar Paraguay wil. Het is er spotgoedkoop, dat wel, maar alles wat je er koopt is vervalst.

Ciudad del Este, de tweede stad van Paraguay, dichtbij de Braziliaanse grens en mijn eerste kennismaking met het land, blijkt inderdaad één grote zwarte markt.

In de hoofdstad, Asunción, verklaart mijn gids, een man van middelbare leeftijd genaamd Fausto, dat Asunción de goedkoopste hoofdstad van de wereld is. Een bedenkelijke kwaliteit, maar wel een adequate typering van de stad.

Tijdens de Oorlog van de Drievoudige Alliantie die van 1864-1870 tegen Argentinië, Brazilië en Uruguay werd gevochten, verloor Paraguay behoorlijk wat grondgebied en volgens mijn gids kwam negentig procent van de mannelijke bevolking om. Na de oorlog waren er nog een kleine dertigduizend mannen over en de vrouwen moesten listen bedenken om het geboortecijfer omhoog te krijgen. Ook in de Bijbel zijn passages te vinden die aangeven dat omwille van het nageslacht op seksueel gebied veel is toegestaan.

Paraguay was een verslagen

land en het lijkt alsof die nederlaag deel is geworden van de cultuur, de mensen besmet heeft met een speciaal virus. Wie in Paraguay is geboren heeft bij voorbaat al verloren.

Hier en daar stuit ik op heimwee naar de voormalige dictator Stroessner. Onder hem zou het beter zijn geweest. Geen criminaliteit, orde en regelmaat.

Bij de mennonieten zullen ze, verwacht ik, geen dictator nodig hebben voor orde en regelmaat. Fausto verklaart: „Je hebt daar de beste gids die je kunt krijgen. Hans Fass heet hij. Hij kent het gebied als geen ander, hij spreekt alleen geen Engels, en hij houdt erg van bier.”

Het gebied, dat is de Chaco, een jungle die als bijnaam heeft ‘de groene hel.’

De rit van Asunción naar Filadelfia, het centrum van de nederzettingen van de mennonieten, duurt per auto, als je doorrijdt, een uur of zes.

Direct buiten de hoofdstad begint de leegte. Hier woont niemand meer.

Vandaar dat de Paraguayaanse regering in de jaren twintig toestemming aan de mennonieten gaf om diep in de jungle een nederzetting te beginnen. De kansen op succes leken gering.

In diezelfde tijd meenden experts dat er olie en gas in de Chaco zou zijn. Het Amerikaanse bedrijf Pure Oil Company deed onderzoek, maar er werd niets gevonden. Of beter gezegd, er werd iets gevonden maar het bleek zich allemaal aan de Boliviaanse kant van de grens te bevinden.

De Trans-Chaco Highway die dwars door de Chaco voert, is geasfalteerd, maar zodra je de afslag neemt naar Filadelfia, centrum van de nederzetting Fernheim (die naam alleen al) kom je op het zand.

Wie hier leeft, leeft tussen het stof.

De nederzetting zelf heeft iets weg van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, zij het dan dat er geen prikkeldraad om de nederzetting staat en de huizen in een iets eenvoudiger stijl zijn gebouwd.

Mijn hotel heet Florida, en het schijnt het beste te zijn van de streek.

De kamer is piepklein en de hele nacht lever ik een gevecht met de hitte en de airconditioning die het geluid produceert van een stoomtrein.

De volgende ochtend komt Hans Fass niet opdagen. Dat lijkt me niets voor een mennoniet.

Ik informeer bij de receptie. Het meisje, aan haar huidskleur te zien een Paraguayaanse, wordt door de eigenaar van het hotel opzij geduwd. De eigenaar is een lange, rijzige man, vooral erg blank en hij zegt tegen mij: „Oh jij bent die journalist.”

Ik vraag me af hoe hij dat weet. Nergens heb ik me aangemeld als journalist. Als de omstandigheden het toelaten gebruik ik bij voorkeur de vermomming van toerist.

„Kom maar even mee naar de tuin”, zegt de eigenaar.

We gaan onder een boom zitten. Hans Fass blijkt ’s ochtends met twee mensen dieper de jungle in te zijn getrokken. Hij had de dag ervoor tevergeefs op mij gewacht.

Een vreemd verhaal.

Ik heb niemand op mij zien wachten.

De beste verklaring lijkt mij: Hans Fass had geen zin in een journalist.

De eigenaar van hotel Florida pakt het mennonieten-telefoonboek. Het mennonieten-telefoonboek is een klein boekje waarin alle telefoonnummers staan van de mennonieten die in de Paraguyaanse Chaco leven.

Snel wordt een nieuwe gids gevonden, Frans Arthur Kliewer genaamd. In het dagelijks leven verkoopt hij auto-onderdelen.

„Maar hij is ook gids”, verzekert de eigenaar van hotel Florida me.

Binnen vijf minuten arriveert Frans Arthur Kliewer die ik Arthur moet noemen.

De snelheid waarmee hij arriveert maakt mij wantrouwig.

Al snel zal ik begrijpen dat de Mennonieten vrijwel alles van elkaar weten en als het een beetje kan ook vrijwel alles van de mensen die op bezoek komen.

„Er zijn drie koloniën”, legt Arthur uit, „Fernheim, Neuland en Menno. Fernheim is de grootste. Het gaat goed met de economie, daarom komen steeds meer mensen van buiten hierheen. Vanmiddag zal ik je de indianen laten zien.”

Van buiten, dat betekent: niet-mennonieten.

„Over vijftien jaar”, verklaart Arthur, „vraagt een jongetje aan zijn vader: ‘Papa waarom loopt hier een blanke?’ ”

Hij kijkt me indringend aan en zegt: „De meeste journalisten komen hier alleen om ons te bespotten. Waarom zouden we informatie geven als we zo worden behandeld?”

„Ik ben hier niet gekomen om jullie te bespotten”, zeg ik.

Er valt een lange stilte.

„Is er criminaliteit onder de mennonieten?” informeer ik.

„Nou, weinig”, zegt Arthur. ‘Af en toe hangen mensen zichzelf op. Verleden jaar heeft een man zich opgehangen, maar we denken dat dat satanisme was.’

(wordt vervolgd)