Even extase, en dan snel weer aan de slag

De Amerikaanse Edith Wharton was rijk, schreef anti-burgerlijke bestsellers en gold als een lastige tante. Uit haar biografie blijkt dat die harde buitenkant haar wanhopige binnenste afschermde.

Hermione Lee: Edith Wharton. Chatto & Windus, 853 blz. €42,95

In 1925, toen Edith Wharton 63 jaar oud was, noteerde ze een idee voor een verhaal dat ze nooit zou schrijven. Een fijn groepje slimme, wereldse mensen ziet elkaar regelmatig, ’s winters in New York, zomers in een chique kunstenaarskolonie op het platteland. Ze zijn goed op de hoogte, discussiëren geïnteresseerd over actuele onderwerpen, de laatste snufjes, de nieuwste ideeën. Dan wordt ineens duidelijk dat ze stuk voor stuk bijna zeventig jaar oud zijn. Maar ze zijn verbluffend goed geconserveerd, omdat ze letten op hun voeding en voortdurend aan hun lichaam werken. Ze zijn zich nauwelijks bewust van hun leeftijd, totdat een van hen, de man die het jongst van geest was, het actiefst, plotseling sterft – ‘en alle anderen veranderen in bibberende oude mensen, bang voor de tocht, oververmoeidheid, opwinding, een slapeloze nacht, een telegram, te laat naar bed gaan, autorijden – ze zitten thuis, wachtend tot hun uur geslagen heeft’.

Misschien schreef ze het verhaal niet omdat het, zoals genoteerd, niets meer aan duidelijkheid te wensen overliet. Maar zoals haar schetsmatige personages moet ze zichzelf gevoeld hebben: tussen de twee Wereldoorlogen, omringd door de nieuwe, ontregelende kunst van het modernisme, werd ze ondanks haar aanhoudende betrokkenheid met de wereld om haar heen, steeds weer geconfronteerd met haar werkelijke leeftijd. In de literaire wereld gold ze als een grande dame, iemand die thuishoorde in een ander, inmiddels lang vervlogen tijdperk. Haar grootste succes, The Age of Innocence, een roman die in 1921 verscheen en haar de Pulitzer-prijs opleverde, greep terug op het New York van haar vroegste jeugd, een verdwenen wereld van goede manieren en wurgende conventies. Toen ze in in 1936, een jaar voor haar dood, gevraagd werd een voorwoord te schrijven bij een herdruk in een reeks literaire klassieken van The House of Mirth (1905) merkte ze op dat teruggaan naar het New York uit die jaren voelde als een terugkeer naar ‘de tijd van de farao’s’.

In haar romans en verhalen had ze alle sociale beklemming van die wereld laten zien, de verborgen heftigheid onder de gepolijste oppervlakte – maar op haar oude dag werd ze vooral beschouwd als een reliek van die wereld, een schrijver die onlosmakelijk verbonden was met de betere kringen waaruit ze afkomstig was. Toen ze overleed, in haar geliefde Frankrijk, waar ze de laatste dertig jaar van haar leven had gewoond, omschreef een Franse krant haar als ‘de laatste Victoriaanse romancier’.

Dat ze bij een bepaalde tijd hoorde, en bij een bepaald milieu, zag Wharton als iets dat onherroepelijk was – zo blijkt uit de schets voor haar verhaal over die bejaarde jongeren – maar ze verzette zich heftig tegen de notie dat ook háár werk gedateerd was. Ja, ze schreef tot aan haar dood spookverhalen, maar in het voorwoord bij Ghosts, een postuum uitgegeven bundel korte verhalen waarin geestverschijningen een rol speelden, gaf ze in niet mis te verstane termen aan dat mensen die dachten dat ‘ghosts went out when electricity came in’ niet begrepen waar ‘het spookachtige’ voor stond.

Met sociale conventies was het niet anders. De benarde wereld van ‘Old New York’ met zijn aristocratische ambities en sociale netwerk mocht dan niet langer bestaan, dat wilde niet zeggen dat mensen werkelijk vrij waren, niet langer gehinderd werden door sociale restricties, remmingen, tegenstrijdige verlangens. Ze nam zich voor een vervolg op The Age of Innocence te schrijven, waarin de kinderen van haar personages, zogenaamd bevrijd van de knellende banden van de wereld van hun ouders, het net zo moeilijk zouden vinden om ook maar een beetje gelukkig te worden.

Het werk van Wharton gaat over eenzaamheid, de verborgen angst om tot jezelf veroordeeld te worden. De vaak geciteerde metafoor die ze daar voor gebruikte, was die van een huis: ‘Ik heb wel eens gedacht dat het wezen van een vrouw is als een groot huis met veel kamers: er is de hal, waar iedereen doorheen gaat wanneer hij naar binnen of naar buiten gaat; de salon waar je formeel bezoek ontvangt; de zitkamer, waar de leden van het gezin naar believen komen en gaan, maar daarachter, ver daarachter, liggen andere kamers, waarvan krukken van de deuren nooit neergedrukt worden. Niemand weet hoe er te komen, niemand weet waarheen ze leiden en in de binnenste kamer, het heilige der heiligen, zit de ziel eenzaam en alleen, wachtend op een voetstap die nooit zal komen’. Het huis, de buitenkant, het sociale leven van een vrouw, of zeg maar van een mens, raakt nergens aan wat essentieel voor zijn leven is, maar het geeft dat wel vorm.

Haar hele leven, en haar hele werk, stond Wharton heftig ambivalent tegenover de sociale orde. Aan de ene kant zag ze als geen ander hoe vernietigend een gemeenschap kon zijn voor een individu, aan de andere kant was er de troost van iets dat buiten jezelf een bedding geeft voor je bestaan, iets dat het onstilbare verlangen verzacht. Dat is wat Newland Archer beseft aan het einde van The Age of Innocence: zijn geluk is vakkundig vernietigd door de gemeenschap waar hij deel van uitmaakt. Tegelijkertijd erkent hij dat die gemeenschap hem ook heeft gevormd, hem heeft gemaakt tot wat hij is – en dat is een troostende gedachte: ‘Iets had hij wel gemist: de bloem van het leven. Maar dat zag hij inmiddels als iets dat zo onbereikbaar, zo onwaarschijnlijk was, dat daarover treuren iets had van wanhopen omdat je niet de eerste prijs had gewonnen in de loterij. [...] Als hij om zich heen keek, voelde hij eerbied voor zijn eigen verleden, en betreurde het verlies ervan. Er school per slot van rekening veel goeds in de oude gebruiken’.

Zo’n tergende ambivalentie kon in de jaren twintig en dertig op weinig begrip rekenen. Wharton voelde zich, blijkt uit de nieuwe, meer dan uitvoerige biografie van de geprezen Virginia Woolf-biografe Hermione Lee, hopeloos tussen de wal en het schip geraakt. Ze verafschuwde de nieuwe directheid van Faulkner, Hemingway en de Franse modernisten (het woord jazz, met zijn suggestie van improvisatie en losbandigheid, stond voor alles wat haar tegen de borst stuitte). Tegelijkertijd werd veel van haar werk door redacteuren van tijdschriften niet geschikt gevonden voor burgerlijke lezers – te veel overspel, te veel onderdrukte hartstocht, te veel wanhopige seks, te veel eenzaamheid. De aanhangers van de jazzcultuur zagen haar als een lastig portret, een ouderwetse, vormelijke douairière, die geen stap zette zonder haar personeel. Het grote publiek vond haar werk ongemakkelijk, te zwaar en te zwart. ‘Wat een land! Terwijl Faulkner & Hemingway gelden als de grootste Amerikaanse romanschrijvers, houden redacteuren van tijdschriften er nog steeds dezelfde opvattingen op na als toen ik begon met schrijven! Intelligentie & beschaving ontbreken kennelijk aan alle kanten van het sociale spectrum & de helft van de zulthoofden schreeuwt om vunzigheid, terwijl de andere helft nog steeds de poten van de piano een broekje aantrekt.’

Hoezeer ze ook van zich afbeet, ze kneep hem wel – zoals iedere goede schrijver doet. Wat als haar vijanden gelijk hadden? Wat als ze inderdaad een overblijfsel van een voorbije tijd was, eeuwig de mindere van Henry James, haar in 1916 overleden vriend waarmee ze altijd vergeleken werd? Haar biograaf probeert te laten zien dat Wharton ook op haar oude dag nog oog had voor het talent van sommige jongere schrijvers, maar de latere hoofdstukken van deze biografie vullen zich met dodelijke oordelen over alles wat zich als nieuw aandient, afgewisseld met angstige vermoedens over hoe die jongeren tegen haar zullen aankijken.

De grootste hindernis om haar kunst serieus te nemen, was natuurlijk haar rijkdom. Wharton werd rijk geboren en verdiende ook nog eens gigantische bedragen met haar boeken, die vanaf het begin al goed verkochten. Haar eerste grote boek, de historische roman The Valley of Decision (1902) was een seller, The House of Mirth een bestseller. Populariteit roept altijd artistieke argwaan op, maar bij Wharton kwam het ook nog eens op de grote hoop terecht; het geld dat ze met The House of Mirth verdiende, gebruikte ze om de zoveelste tuin aan te leggen rondom haar zelf gebouwde, formidabele landhuis The Mount in Lenox, Massachussets.

Als je de biografie van Lee leest, begrijp je waar die metafoor van dat grote huis met veel kamers vandaan komt; het leven van Edith Wharton bezat een ontzagwekkende hoeveelheid buitenkant, zoveel huizen, tuinen, vrienden, reizen, dat haar schrijverschap onzichtbaar dreigt te worden. In de ruim 800 bladzijden van deze biografie zie je iemand die voortdurend bezig is de buitenwereld naar haar hand te zetten. Haar vrienden, de eeuwig aarzelende Henry James voorop, werden gek van haar ondernemingszin; vooral James liet zich graag meevoeren op lange toeristische tochten door Engeland, Frankrijk en Italië in haar elkaar snel opvolgende, steeds sneller rijdende automobielen, maar in brieven aan wederzijdse vrienden schetste hij na afloop steeds weer een beeld van totale uitputting van zijn kant.

Later, toen ze zich tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk vol patriottisme stortte op de hulpverlening aan gewonde soldaten en vluchtelingen en kinderen met tbc, bezweken veel van haar medewerkers onder haar geldingsdrang. Ook wat haar literaire werk betrof bemoeide ze zich met alles: ze bedong hoge voorschotten, klaagde over te weinig advertenties, ging in brief na brief tekeer over spelling en interpunctie. De wereld om haar heen werd eindeloos becommentarieerd in afgemeten, dodelijke constateringen. Haar kijk op die wereld was dominant en zonder empathie; ze verkeerde voornamelijk in aristocratische en autocratische milieus en ze bediende zich met merkbaar genoegen van de gangbare vooroordelen tegen zwarten en joden. Voor iemand als zij deed het er echt toe dat Mussolini de treinen op tijd liet rijden.

Hermione Lee heeft er een hele klus aan de sympathie van de lezer voor Wharton vast te houden. De harde buitenkant diende enkel om het kwetsbare, meestal wanhopige binnenste af te schermen. Achter alle energie en daadkracht ging een groot gevoel van verlatenheid schuil. De joden in haar romans ontsnappen aan de schmierende typeringen in haar brieven. In korte verhalen en kleine romans als Ethan Frome en Summer bleek ze wel degelijk oog te hebben voor de levens van mensen die in haar leven de functie van decor hadden, bedienden en arbeiders. Vrienden beschrijven steeds weer de grote discrepantie tussen de publieke en de intieme Wharton, twee persoonlijkheden die elkaar vliegensvlug konden afwisselen.

De vraag is hoe die twee Whartons zich nu werkelijk tot elkaar verhielden. Toen ze tegen het einde van haar lang volgehouden, doodongelukkige huwelijk met Teddy Wharton, een sul zonder verbeeldingskracht die zich ongetwijfeld tot niets gereduceerd gevoeld moet hebben door zijn echtgenote, een heftige affaire kreeg met de veel jongere Morton Fullerton, leverde ze zich met huid en haar over aan haar eigen onmacht. ‘I who dominated life, stood aside from it so, how I am humbled, absorbed, without a shred of will or identity left!’

Fullerton was een charmante charlatan, die er tegelijkertijd nog wat vrouwen (en mannen) op nahield – maar daar was Wharton met opzet blind voor. Uit haar beschrijvingen rijst het beeld op van een vrouw die, meer nog dan van een ongelukkig huwelijk, eindelijk van zichzelf is verlost. In brieven aan haar minnaar onthult ze onwillekeurig de crux van haar gevoelsleven: de grootste momenten van geluk beleeft ze wanneer ze naast haar minnaar in het theater zit. Op het podium een serieus, moralistisch drama, in de zaal zelf de harde buitenkant van het sociale verkeer met zijn conventies en restricties – en van binnen het intense, onzichtbare drama van de geheime liefde. ‘Ik denk niet dat jij die kent, aangezien hij meer bij mijn sekse hoort dan bij de jouwe, de stille extase die ik voel wanneer ik naast jou zit in het openbaar, terwijl ik zo nu en dan kijk naar hoe je haar over je voorhoofd valt, naar de contouren van je profiel dat naar het podium is gericht… terwijl iedere druppel van mijn bloed fluistert: ,,Van mij – van mij – van mij!’’ ’

Die stille extase zal eindig zijn, dat beseft Wharton al op het moment dat ze hem ondergaat. Wanneer dat gebeurt, zal ze weer houvast vinden bij de buitenkant van het leven, het sociale verkeer in de hoogste kringen, het inrichten van haar huizen, de aanleg van haar tuinen, het regelen van haar transatlantische reizen. De krachten die haar leven ongelukkig maken, zijn dezelfde die haar ongeluk verzachten.

Haar nieuwe biograaf beschrijft die buitenkant even uitputtend als Wharton zelf kon zijn – al die opsommingen van reizen en ontmoetingen, vrienden en kennissen irriteerden me. Dat Wharton haar leven lang behoefte had aan een intense bemoeienis met de buitenwereld, maakt Lee afdoende duidelijk. Die bemoeienis ook nog tot in detail beschrijven haalt het evenwicht uit de biografie. Maar Lee dringt in Edith Wharton wel degelijk knap en scherpzinnig door tot de kern van dit gespleten kunstenaarschap. Wie de hoofdstukken die daarover gaan eruit haalt, heeft de beste biografie van Wharton in handen. Uiteindelijk ging het Wharton om die verborgen binnenwereld – en om datgene wat al het andere ondergeschikt maakte: schrijven.

Rectificatie / Gerectificeerd

Edith Wharton

In het inzetje bij het artikel over Edith Wharton (Boeken 20.04.07) stonden verkeerde jaartallen. De schrijfster leefde van 1862 tot 1937, zoals ook uit het essay van Bas Heijne bleek.

De redactie