‘Een moslim kan hoger in de hemel komen dan ik’

Kardinaal Simonis (75) vertrekt als aartsbisschop van Utrecht. Hij betreurt het gebrek aan religieuze betrokkenheid in Nederland. „Zonder God gaat de wereld kapot.”

„Islam en christendom dienen vreedzaam naast elkaar te bestaan; dat moet in ieder geval worden nagestreefd. En wat nog veel mooier zou zijn: wanneer ze samen vanuit hun geloof in de ene God een antwoord zouden geven op de onverschilligheid, het agnosticisme, het atheïsme.”

Dat schrijft Adrianus kardinaal Simonis in zijn boek Een hart om te denken, dat vandaag verschijnt ter gelegenheid van zijn vijftigjarig priesterjubileum. De inhoudelijke reflecties van de kardinaal werden door de gereformeerde predikant Hans Bouma tot een leesbaar boek verwerkt, dat zicht geeft op leer en leven van de kardinaal. Daartoe had hij een tiental gesprekken met Simonis, zowel in Utrecht als in Rome. Bouma schreef ook gedichten bij de door de kardinaal aangedragen thema’s.

In een nader gesprek zegt Simonis veel waardering te hebben voor gelovige moslims. De contacten met de islam noemt hij nog „te sporadisch”. „Een vrome moslim kan veel hoger in de hemel komen dan ik. Zij hebben een verheven idee van hun geloof. Hun saamhorigheid is groot. Ze zien de verwatering en de decadentie onder christenen. God beware ons, denken ze dan. Ideaal zou zijn dat jodendom, christendom en islam gezamenlijk een ander geluid laten horen tegen de wereldwijde secularisatie, een wereld die leeft alsof God niet bestaat. De mens kan niet zonder transcendente verankering van zijn waarden en normen. Zonder God gaat de wereld kapot.”

De kardinaal denkt niet dat een gezamenlijk optreden van kerk en islam al op korte termijn mogelijk is. Daarvoor zijn de verschillen ook te groot. „Ik heb respect voor de islam, maar de islam is wel een heel andere godsdienst dan het christendom. Hun godsbeeld is heel anders dan dat van christenen, die een drie-enige God belijden. Het christendom is veel warmer, mooier en rijker – ik zeg dat niet om moslims te discrimineren. Islam betekent onderwerping aan God. Voor moslims is God heer en rechter in plaats van vader. Als christen ben ik geen onderworpene. Er is sprake van een partnership, God roept mij. Maar daarbij respecteert Hij mijn vrijheid. Hij dringt zijn wil nooit aan mij op.”

Koos u in de jaren vijftig voor het priesterschap onder invloed van het rijke roomse leven?

„Ja, ik ben priester geworden, omdat ik me aangetrokken voelde tot het rijke roomse leven. Niet in de betekenis van de pracht en praal die je in Zuid-Nederland wel aantrof. Met het rijke roomse leven bedoel ik de tijd dat het christelijke geloof bloeide, dat de zeven sacramenten werden gepraktiseerd. Ik werd geen priester omdat ik een hemelbestormer of wereldverbeteraar was. Ik had het gevoel een avontuur aan te gaan, zonder te weten hoe dat zou aflopen.”

Uit uw boek lijkt een voorkeur voor het pastoraat te spreken, de zorg voor de gelovigen.

„Het concrete pastoraat heeft inderdaad mijn voorliefde. Na mijn priesteropleiding werkte ik als kapelaan in Waddinxveen en in de Rotterdamse wijk Feijenoord. Het aantrekkelijke daarvan was dat je als kapelaan geen eindverantwoordelijkheid droeg. Je kon je helemaal op het werk concentreren, optrekken met mensen, gespreksgroepen van jongeren leiden. Ik was ook aalmoezenier van de padvinderij. Tijdens mijn priesterstudie was me echter al te verstaan gegeven dat ik mogelijk zou moeten doorstuderen. Zelf wilde ik het liefst theologie gaan studeren in Nijmegen, maar bisschop Jansen van Rotterdam stuurde me in 1959 naar Rome. Als je na een jaar merkt dat je eraan kapot gaat, mag je terugkomen, zei hij.”

Simonis keerde na de voltooiing van zijn proefschrift in 1966 naar Nederland terug. Hij werd kapelaan in Den Haag en rector zielzorg in het Rode Kruis Ziekenhuis. In 1971 werd hij tot bisschop van Rotterdam benoemd. In 1983 werd hij aartsbisschop van Utrecht en twee jaar later kardinaal.

Bij uw benoeming tot bisschop had u in de pers een negatief imago. Wat betekende die beeldvorming voor u?

„Ik heb me bij de feitelijkheid ervan neergelegd. Ik mocht gewoon niet anders zijn dan het etiket dat ik opgeplakt had gekregen. Op de persconferentie na mijn benoeming in Rotterdam werd mij gevraagd: bent u progressief of conservatief? Ik antwoordde met de woorden van de apostel Paulus: onderzoek alle dingen en behoud het goede; in die zin ben ik conservatief. In het 8-uur journaal werd bericht dat ik mezelf als conservatief beschouwde. Dat paste in die tijd van polarisatie. Ik houd vast aan de waarheid en die wil ik niet prijsgeven. Ik ben ook niet ingehuurd om aardig gevonden te worden, maar om het evangelie van Christus te verkondigen.”

Zit er in uw boek een lichte relativering van de kerkelijke dogma’s en regels? „Het leven moet wel leefbaar blijven”, schrijft u.

„Ik relativeer dogma’s helemaal niet in mijn boek. Ik haal Thomas van Aquino aan die over zijn eigen werk schrijft, dat het allemaal stro is. Thomas’ werk omvat veel negatieve theologie. We kunnen meer zeggen over wat God niet is, dan wie Hij wel is. Dogma’s benaderen de waarheid, maar ze zijn niettemin een heel rechtsgeldige benadering. Dogma’s hebben niet het laatste woord, ze zijn ontstaan in bepaalde tijden en omstandigheden, maar ze vormen wel het staketsel voor het geloof en de leer van de kerk.”

Het gebrek aan roepingen is een van de grote problemen van de katholieke kerk. Is het tijd voor afschaffing van het celibaat en openstelling van het priesterambt voor vrouwen?

„Dat er zo weinig roepingen zijn wordt veroorzaakt doordat er te weinig echte gelovigen zijn. De gezinnen zijn ook veel kleiner geworden. Het tekort vindt niet zijn oorzaak in het celibaat, maar in het feit dat mensen zich niet meer willen binden. Dat relativisme geldt niet alleen voor de kerk. Steeds minder mensen sluiten nog een huwelijk, en wonen ongehuwd samen. Er bestaat geen ‘engagement’ meer, het ‘commitment’ is weg. Wie Jezus alleen beschouwt als een meneer uit Nazareth en niet als de zoon van God, hoeft zich ook niet meer onvoorwaardelijk te binden. Afschaffing van het celibaat is een schijnoplossing. De geloofscrisis in ons land is zo ernstig dat we ons met Jezus moeten afvragen: zal Hij nog geloof vinden?

„Vrouwen kunnen niet als priester worden aangesteld, omdat wat Jezus heeft gedaan de richtlijn voor de kerk is. Bij het laatste avondmaal, toen Jezus de eucharistie instelde, waren nadrukkelijk twaalf mannen aanwezig. Dat doet niets af aan de gelijkwaardigheid van man en vrouw, beiden delen in gelijke mate in heil. Feit is dat de man fysiek sterker is en volgens mij is de vrouw geestelijk sterker. Maar iedereen moet tegenwoordig aan elkaar gelijk zijn, God beware me! Laat de vrouw vrouw blijven.”

Het debat over de betekenis van geloof en religie leeft momenteel weer. Stemt u dat hoopvol?

„Ik zie wel dat de mensen zoeken, maar het is allemaal wel erg vaag en vrijblijvend. Van echte betrokkenheid op kerk en geloof is geen sprake. Veel mensen lezen ook niet meer. De menselijke ervaringen en emoties zijn belangrijker dan het verstand. De laatste cijfers van het onderzoek God in Nederland van het tv-programma Kruispunt spreken duidelijke taal. De mens is zelfgenoegzaam, de vraag naar Jezus lijkt gesmoord. Het verlangen naar bekering, waartoe het evangelie oproept, ontbreekt. De situatie is hoogst ernstig, maar niet hopeloos. Buiten Europa leeft het christendom meer dan ooit.”