Een gouden ketting om erbij te horen

De Tweede Kamer is enthousiast over een PvdA-voorstel om opzichtige kleding bij gevangenen te verbieden. Ook oud-gevangenisdirecteuren staan niet afwijzend tegenover ‘bajeskledij’. „Uiterlijk is een verlengstuk van gedrag.”

Gedetineerden in een gevangenis in Sittard, in 2004. Foto Chris Keulen/Hollandse Hoogte Nederland, Sittard, 12-01-2004 Twee gedetineerden op een cel in de Sittardse gevangenis de Geerhorst. Wegens capaciteitsgebrek moeten gevangenen in Nederland steeds vaker een cel met elkaar delen. In Sittard is dat twee maanden, daarna krijgt de veroordeelde weer de beschikking over een prive-cel. De gevangenen zelf maken veel bezwaren, bv over de televisie-programma's die gekozen moeten worden. Bovendien zeggen ze dat er geen sprake is van vrijwilligheid maar van dwang van de directie. Foto: Chris Keulen/HH Keulen, Chris / Hollandse Hoogte

Rotterdam, 20 april. - De stoere taal kwam dit keer uit onverwachte hoek. Jeroen Dijsselbloem, Tweede Kamerlid voor de PvdA, wil lastige jongeren harder aanpakken. En hij zegt ook welke jongeren hij bedoelt: de Marokkaanse en Antilliaanse jongens. Zelfs als ze in de gevangenis zitten, zegt Dijsselbloem, gaan ze door met hun „machogedrag”. Hij wil een „gedisciplineerde, strenge aanpak.” Om te beginnen: pak ze hun dure merkkleding af, de „blingbling”-sieraden en versiersels. En trek ze weer een gevangenisuniform aan. Want de kleding en de sieraden zijn volgens Dijsselbloem onlosmakelijk verbonden met het gedrag, de groepscultuur en de criminaliteit die daarbij horen.

Criminologe Marion van San, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, deed veel onderzoek naar jonge Antillianen. Ze moet lachen om het voorstel van Dijsselbloem. Ze vindt het symboolpolitiek. Gouden kettingen afpakken helpt niet, zegt zij. Je moet ze helpen met een baan, met school, met hun schulden. „Arme mensen, zoals sommige Antillianen, ontlenen waardigheid aan het dragen van sieraden en merkkleding. Ze moeten hun gouden kettingen bij zich hebben, juist in de gevangenis. Ze bakenen hun terrein ermee af, de kettingen zijn belangrijk om erbij te horen.” Door het af te pakken, doorbreek je de groepscultuur niet, denkt zij. „Dan verzinnen ze wel wat anders om de identiteit van hun groep te benadrukken. Dan gaat het erom wie de grootste bek heeft, of wie er het handigst drugs de gevangenis in smokkelt.” Dat uiterlijk vertoon, erkent ze, is wel een deel van hun probleem. „Om het te kunnen betalen, steken ze zich in de schulden.” Of ze gaan ervoor uit stelen.

De gevangeniskledij is in de jaren zeventig afgeschaft. Voor een deel was dat om geld te besparen. Directeur Henk Aalbers van de vakbond voor gevangenispersoneel: „Je hebt standaardkleding in alle maten nodig. Het moet worden verstrekt, gewassen, gestreken. Gevangenen gaan anders om met kleren die niet van henzelf zijn, dus het moet ook voortdurend gerepareerd.” Nu wassen gevangenen hun eigen kleren, of ze geven het mee aan hun bezoek. De gevangenisbewaarders hebben er geen omkijken naar.

Er was nog een reden om de standaardkleren af te schaffen, en dat was een ideologische reden. In de jaren zeventig werd gevonden dat een gevangenisuniform te stigmatiserend was. Een gevangenisstraf moest de individuele vrijheid van gedetineerden niet meer inperken dan nodig was. Kleren inleveren bij de gevangenispoort werd een te grote inbreuk gevonden.

Cees Boeij, Jacques van Huet en Peter Scheffelaar-Klots begonnen hun carrière bij de penitentiaire inrichtingen in de jaren zeventig. Jarenlang bestuurden zij de grote gevangenissen in Nederland en ze werden bekend door hun ‘sociale’ beleid. Door hun ‘humane’ behandeling van gedetineerden, met veel aandacht voor de persoonlijke omstandigheden. Ze verzetten zich tegen de verharding van het gevangenisbeleid. Ze zijn nu alle drie met pre-pensioen.

Cees Boeij herinnert zich de gevangeniskledij nog van toen hij net begon. Eerst was het een lichtbruin pak van pilo, linnen en katoen door elkaar. Later werd het manchester, toen bruine corduroy (ribfluweel). Daarna spijkerstof, „van bedenkelijke kwaliteit”.

Je zou verwachten dat de drie oud-directeuren de terugkeer van de ‘bajeskledij’ een ouderwets idee vinden. Maar dat vinden ze niet. Ze vinden het een „sympathiek plan” waar „ze best in mee kunnen gaan”.

Jacques van Huet heeft nog de meeste reserves. „We moeten niet terug naar de streepjespakken en de bal aan de voet.” „Als je het doet, moet je consequent zijn. Dus: iedereen over één kam. En dan ook de inrichting van de cel aanpakken. Geen dure geluidsinstallaties of andere blingbling meer.” Hij noemt het omgekeerd pimpen. Maar om iets te doen aan de soms „extreem exhibitionistische kledij van gedetineerden” daar is hij wel gevoelig voor. „En dan vragen we Frans Molenaar om de pakken te ontwerpen. Die ziet natuurlijk die Marokkaantjes het liefst in matrozenpakjes.”

Volgens Scheffelaar-Klots zijn er al instellingen waar gelet wordt op het uiterlijk. „In de gevangenis in Vught mogen jongens geen capuchons dragen of petjes. Dat is om dezelfde reden. Het uiterlijk is een verlengstuk van het negatieve gedrag. Uiterlijkheden afnemen werkt psychologisch. Ze moeten een tijdlang afstand doen van datgene waaraan ze hun status ontlenen. Ik verwacht er geen wonderen van, maar alle kleine beetjes helpen.”

Met medewerking van Egbert Kalse