Dienaar van de Alles Vergevende

Christiaan Snouck Hurgronje was een van de grootste Nederlandse arabisten. Zijn boek uit 1889 over het dagelijks leven in Mekka is nog verrassend leesbaar.

C. Snouck Hurgronje: Mekka in de tweede helft van de negentiende eeuw. Schetsen uit het dagelijks leven. Atlas, 608 blz. €39,90

‘Het zou een ijdel en vermetel pogen zijn naar volle waarde onder woorden te brengen van welk een ongeëvenaarde betekenis Snouck Hurgronje is geweest voor de wetenschap, voor Nederland en voor Nederlands-Indië. Wie het geluk heeft gehad met deze grootmeester in nauwere aanraking te hebben mogen komen en zijn heilzame invloed te ondergaan, gevoelde ook zonder veel woorden hoe geweldig uitgebreid zijn weten was, hoe groot zijn wijsheid, hoe onfeilbaar juist zijn inzicht’.

Met deze aan heiligenverering grenzende woorden herdacht de Commissie voor het Adatrecht in 1936 het overlijden van prof. dr. Christiaan Snouck Hurgronje, in leven voorzitter van die commissie. Deze arabist, islamoloog en rechtsgeleerde gold bij zijn dood als een groot man, wegens zijn verdiensten voor de wetenschap en voor de stabiliteit van de kolonie in de Oost. In het postkoloniale tijdperk is niet alleen het monument van generaal Van Heutsz, de bedwinger van Atjeh, door jonge heethoofden beklad, maar is ook diens wetenschappelijke adviseur, Snouck Hurgronje, in een kwaad daglicht gesteld. Zo niet in Leiden, zijn alma mater, waar zijn grote kennis van de islam werd overgedragen op nieuwe generaties studenten.

Op 8 februari was het anderhalve eeuw geleden dat Snouck Hurgronje werd geboren en dit voorjaar wijdt de Leidse Universiteitsbibliotheek een tentoonstelling aan deze beroemde alumnus. Het Snouck-jaar wordt ook opgeluisterd door een boek. Eind maart verscheen, 118 jaar na de Duitse uitgave, een Nederlandse vertaling van Snouck Hurgronjes jeugdwerk Mekka. Het gaat om het tweede deel van dit standaardwerk, dat handelt over het dagelijkse leven in de metropool van de islam.

Het boek is ruim een eeuw na verschijning nog verrassend leesbaar. Het ontleent zijn charme aan Snoucks eigen waarnemingen tijdens zijn verblijf in Mekka, van eind februari tot begin augustus 1885. Mekka ontleent zijn blijvende waarde aan de opmerkingsgave, de contactuele eigenschappen en de talenkennis van de auteur. De soepele vertaling en de inleiding zijn van de Leidse handschriftkundige en islamoloog Jan Just Witkam, een leerling van een leerling van de grote meester. De meer dan honderd foto’s, waarvan de meeste door Snouck Hurgronje zelf zijn gemaakt, maken het boek tot een juweel.

Bekering

Snouck Hurgronje was 23 jaar jong toen hij in Leiden promoveerde op de dissertatie Het Mekkaansche Feest (1880), waarin hij de rituelen van de jaarlijkse bedevaart tot in detail beschreef. Dat deed hij op basis van geschreven bronnen, want Mekka had hij nooit gezien. Destijds was maar een enkele Europeaan doorgedrongen tot de Heilige Stad, die gesloten was (en is) voor niet-moslims, en de jonge Snouck wilde hun prestatie evenaren. Het Nederlandse consulaat in de havenstad Jeddah verzamelde inlichtingen over moslims uit Nederlands-Indië die op bedevaart gingen naar Mekka of er studeerden, want men was zeer beducht voor opruiend ‘pan-islamisme’. Die inlichtingen werden tegen betaling verkregen, maar aan de betrouwbaarheid van mosliminformanten werd getwijfeld. Toen de jonge Snouck Hurgronje liet weten dat hij naar Mekka wilde, kreeg hij dan ook alle medewerking.

Eenmaal in Jeddah bekeerde Snouck zich tot de islam en liet hij zich besnijden. Aan de oprechtheid van die bekering is getwijfeld. Witkam schrijft in zijn inleiding: ‘Voor een agnostische deskundige in het islamitische recht als Snouck Hurgronje was de islam een serie uiterlijke handelingen die men onder bepaalde condities uitvoert om ze wettelijk, naar de normen van Gods wet, geldig te laten zijn. De islam is een wettische godsdienst. Wanneer men zich zo veel mogelijk onderwerpt aan de regels is men een moslim, letterlijk iemand die zich onderwerpt. Dat was Snouck Hurgronje zeker, maar was hij ook een gelovige, een mu’min, iemand die er heilig van overtuigd is dat de islam de enige ware godsdienst is? Op die vraag is geen antwoord mogelijk, want alleen God kan in de harten kijken.’ Snouck Hurgronje koos zich de moslimnaam Abd al-Ghaffar, Dienaar van de Alles Vergevende. Een hint?

Mekka is geen reisverslag, maar een etnografie van een stedelijke samenleving. Snouck Hurgronje schetst het pre-Saoedische Mekka, bestuurd door Hasjemitische sjarifs en Turkse pasja’s, waar de ‘buren van Allah’ (de Mekkanen) de ‘gasten van Allah’ (de pelgrims) schaamteloos uitzuigen. ‘Alle Mekkanen,’ schrijft hij, ‘leven direct of indirect van de heiligdommen in de stad of in de directe omgeving, hun religieuze kapitaal.’ Zo zijn er de adellijke exploitanten van de ka’aba, de heilige zwarte steen op de binnenplaats van de Grote Moskee; het gilde dat de bron Zemzem uitbaat; eigenaren en toezichthouders van de geboortehuizen van de profeet, zijn dochter Fatima en zijn schoonzoon Ali; en allerlei heiligengraven. De pelgrimsgidsen zijn het belangrijkste gilde van Mekka. Zij halen hun klanten in Jeddah van de boot en huren kamelen voor de reis naar Mekka. In de Heilige Stad doen zij alle rituelen voor en dicteren zij de gebeden. Verder zijn er de vele geldschieters, in feite woekeraars, die het religieuze verbod op rente omzeilen met allerlei slimme constructies.

De bedoeïenen van Midden-Arabië, schrijft Snouck Hurgronje, gaan naar Mekka op bedevaart, maar verder mijden zij die stad. Want daar gebeurt alles wat God verboden heeft. Tussen stadswijken worden bloedige veten uitgevochten; pedofilie en prostitutie tieren welig. Voor de vele vreemdelingen zijn in Mekka drie soorten vrouwen beschikbaar. Allereerst ‘negerinnen’, op wie men uitsluitend de seksuele lusten botviert. Aan de andere kant van het spectrum zijn er de ‘dochters der mensen’, de geboren Mekkaansen. Hun cynisme en roofzucht worden door Snouck breed uitgemeten. Tussen die twee groepen in zijn er de wat lichter gekleurde Ethiopische vrouwen, over wie Snouck zich zeer lovend uitlaat. De strenge wahhabieten van bedoeïenenvorst Ibn Saoed zouden na de verovering van Mekka in 1924 schoon schip maken, maar hedendaagse pelgrims klagen nog steeds over immorele en geldbeluste Mekkanen.

Mensenroof

In een opmerkelijke excursie keert Snouck Hurgronje zich tegen de groeiende anti-slavernijbeweging in Europa. De sentimenten van het grote publiek noemt hij ‘eerlijk gemeende domheid’; politici zouden ‘het valse vuur voeden met geheel andere dan humanitaire doelen’. Verreweg de meeste Mekkaanse slaven kwamen uit Afrika. In 1885 werden die nog in groten getale aangevoerd over de Rode Zee. Snouck noemt de mensenroof in Afrika een ‘verschrikkelijk euvel’, maar wijst erop dat slaven in de islamitische wereld dankzij het daar geldende humane slavenrecht beter af zijn dan Afrikanen die ten offer vallen aan ‘Europese brandewijn en buskruit’. In Mekka, schrijft hij, zijn slaven lid van de familie en velen krijgen, zodra zij volwassen worden, hun vrijheid. Kroost van meesters en slavinnen heeft dezelfde positie als andere kinderen.

De lange inleiding (184 pagina’s) van Jan Just Witkam voegt veel toe. Hij bestaat uit een biografische schets tot aan Snoucks vertrek naar Arabië (september 1884); fragmenten uit het dagboek dat hij bijhield in Jeddah; en de openhartige briefwisseling die hij tijdens en na zijn verblijf in Mekka onderhield met vice-consul P.N. Van der Chijs. Daaruit wordt duidelijk waarom Snouck Hurgronje in augustus 1885 door de Turkse gouverneur werd uitgewezen uit Mekka, nog voordat het bedevaartseizoen begonnen was. Hij was het slachtoffer van een in Mekka wonende Algerijnse balling, die in het gevlij wilde komen bij het Franse consulaat. Daar meldde deze intrigant dat Snouck de hand wilde leggen op een oude steen met Aramese inscripties, die door een Fransman was gevonden.

De inleiding maakt ook duidelijk hoezeer de observaties en verhalen in Mekka een versleutelde versie zijn van Snoucks eigen ervaringen. Zo moet de auteur over de ‘wonderlijke wereld van de Mekkaanse vrouw’ veel hebben opgestoken van zijn Abessijnse slavin, die hij in brieven aan Van der Chijs ‘mijn wederhelft’ noemt. Zij was zwanger toen Snouck uit Mekka werd gezet en heeft toen, ‘goddank uit eigen beweging gezorgd van ‘‘te zware lasten’’ bevrijd te zijn.’ Na die abortus logeerde ze nog even bij een Indische vriend van Snouck in Mekka, vergeefs wachtend op zijn terugkeer, en verdween toen spoorloos.