De paspoortmaatschappij

De Franse nationale identiteit staat centraal in de verkiezingscampagne voor het presidentschap. Twee conservatieve auteurs speuren naarstig naar ‘grandeur’.

Buste van het Franse symbool Marianne A bust of French Marianne modelled by Alain Aslan on French actress Brigitte Bardot is seen at the moulding studio of the Louvre and the Museums of France, 12 January 2007. The earliest representations of a woman wearing a Phrygian cap, an allegorical figure of Liberty and the Republic, made their appearance at the time of the French Revolution. Marianne symbolizes the "Triumph of the Republic". Her profile features on the official seal of the country. It is engraved on coins and drawn on stamps and banknotes. Marianne is considered as the most prominent depiction of the French Republic. In recent times, Marianne has taken on the aspect of famous actresses. The moulding studio was first created in 1794 to produce busts and statues for museums and fine art schools. AFP PHOTO FRANCOIS GUILLOT AFP

Max Gallo: L’âme de la France: Une histoire de la nation des origines à nos jours. Fayard, 608 blz. € 21,85

Alain Finkelkraut: Qu’est-ce que la France? Stock, 420 blz. € 18,53

De Franse natie verenigt niet meer, maar is eerder een splijtzwam. Zoveel is in de verkiezingsstrijd voor de nieuwe president duidelijk geworden. Zondag gaan de Fransen naar de stembus. Nationale identiteit is een van de centrale thema’s in een verder rommelige campagne. Rechts domineert het gekissebis rond dit thema. De favoriet in de peilingen, Nicolas Sarkozy, stelde voor een ministerie van immigratie en nationale identiteit op te richten. De extreem-rechtse presidentskandidaat Jean-Marie Le Pen verweet hem dat hij, zoon van een Hongaarse immigrant, geen recht van spreken had. Alleen Le Pen zelf is een echte Fransman en dus geschikt voor het presidentschap. Links deed vervolgens ook een duit in het patriottische zakje, en Ségolène Royal verklaarde dat iedereen een vlag in huis moest hebben en vooral ook wat vaker de Marseillaise mocht aanheffen. De consternatie binnen haar partij, de Parti Socialiste, was groot. Centrum-politicus François Bayrou, die zich voortdurend als redelijk alternatief manifesteert, hield zich bij zoveel patriottisme wijselijk op de vlakte.

Al jaren jammeren linkse en rechtse politici over het onvermogen van de Vijfde Republiek om voor de natie een samenbindend project te ontwikkelen. Het aloude republikeinse model dat op basis van burgerschap en laïcité (scheiding van kerk en staat) tientallen jaren richting gaf aan de natie kraakt in zijn voegen. Vroeger werden nieuwkomers binnen duidelijke kaders tot modelfransen opgevoed. Nu lijkt de republikeinse mal versleten. Oorzaken: mondialisering, de uitbreiding van de EU, de te grote en snelle toevloed van immigranten, de radicale islam, toenemende individualisering en het verlies van status van Frankrijk in de wereld. Deze verwarring en onzekerheid zijn niet typisch Frans, al wordt dat in Frankrijk nogal eens gedacht. Ook Nederland, volgens het multiculturele model georganiseerd, worstelt met zijn identiteit.

Dat het debat over identiteit en immigratie momenteel een ruk naar rechts maakt, blijkt ook uit de uitlatingen van intellectuelen zoals Max Gallo en Alain Finkielkraut. Oorspronkelijk behoorden zij tot de linkse denkers en schrijvers. Maar in politiek links zijn ze teleurgesteld en over de toekomst van de Franse identiteit tonen ze zich sceptisch. Bovendien gaapt bij centrum-links een ideologische leegte. De Parti Socialiste heeft moeite de rijen gesloten te houden; achter de schermen woedt een richtingenstrijd. Het politieke landschap polariseert met extreemlinks en -rechts. Bij zoveel onzekerheid is er behoefte aan een leidersfiguur en aan krachtig politiek beleid, gebaseerd op zelfvertrouwen. En zo komt voor deze categorie intellectuelen Sarkozy in beeld, al heeft Finkielkraut (nog) geen openlijke voorkeur voor een kandidaat uitgesproken.

Symbolen

Van Max Gallo verscheen L’âme de la France. Gallo, een Italiaanse immigrantenzoon, behoorde in de jaren tachtig tot de linkse intelligentsia. Hij is een veelgelezen romancier en publicist die het onder president Mitterrand tot staatssecretaris schopte. Later brak hij met de PS en schaarde zich achter de linkse nationalist Jean-Pierre Chevènement. Deze jacobijn, bijgenaamd ‘Che’, schreef voor de toespraken van Ségolène Royal de passages over identiteit en natie. Pikant is dat Gallo inmiddels weer verder is opgeschoven op het politieke spectrum. Hij steunt nu Sarkozy.

Karakteristiek voor de ‘ziel van Frankrijk’ is volgens hem de gelijkheid tussen individuen. Alle Fransen zijn op dezelfde manier aan de natie verbonden en daar komt geen communautaire, ethische of religieuze filter aan te pas. De Franse ziel is bij Gallo geen statisch concept maar een geestestoestand die zich in de loop der tijden, in voor- en tegenspoed, heeft ontwikkeld. Zoals boeren stukje bij beetje het territorium van La Gaule hebben ontgonnen, zo is de natie in de loop der eeuwen gecreëerd.

Gallo betreurt het dat ‘nation’ en ‘patrie’ in vergetelheid raken en ‘Europe’ en ‘région’ tegenwoordig toonaangevend zijn. Hetzelfde geldt voor nationale symbolen als Jeanne d’Arc, de tricolore en het volkslied. Ze behoren tegenwoordig vooral tot de inboedel van (extreem-)rechts. Links heeft het daar moeilijk mee. Verwijzingen naar glorieuze momenten uit de eigen geschiedenis, zoals de overwinning van de revolutionaire troepen in de slag bij Valmy (1792) hebben voor links ook afgedaan. Daarentegen bepalen volgens hem negatieve ervaringen uit de eigen geschiedenis zoals collaborerende Vichy-regime tijdens de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie (martelingen door het Franse leger in Algerije) het debat over nationale identiteit.

Bemoedigend is het allemaal niet wat Gallo voorschotelt. Vooral het laatste deel van zijn boek, dat de periode vanaf 1920 beslaat, leest als een ondergangsroman. Zijn oordeel over Mitterrand is ronduit vernietigend omdat deze de opkomst van het Front National heeft mogelijk gemaakt. En onder Chirac is de Franse ziel vervolgens verder uitgehold. De opkomst van het ‘communautarisme’ in de jaren negentig, dat uitgaat van een maatschappelijke ordening gebaseerd op ‘gemeenschappen’, druist in tegen het ideaal van de ene en ondeelbare Republiek. Instanties als de moslimraad of vertegenwoordigende organen van immigranten doen de nationale identiteit ook al geen goed. Enige lichtpuntjes waren de weigering mee te doen aan de Amerikaanse invasie in Irak (2003) en de hoofddoekjeswet (2004). De enige president voor wie Gallo in de 20ste eeuw een uitzondering maakt, is Charles de Gaulle. Hij was de laatste autoriteit die Frankrijk respect en aanzien verleende. In zijn tomeloze pessimisme koestert Gallo vooral de vervlogen droom van grandeur. Dat liet hij vorig jaar al weten in zijn Fier d’être français.

Voegwerk tussen de stenen

De bundel Qu’est-ce que la France? stemt evenmin tot optimisme. De titel is een verwijzing naar de 19de-eeuwse geschiedschrijver Ernest Renan die in Qu’est-ce qu’une nation? de essentie van de Franse natie definieerde als een ‘dagelijkse volksraadpleging’. Evenals Gallo constateert de samensteller, filosoof Alain Finkielkraut, dat het voegwerk tussen de stenen van het nationale gebouw Frankrijk in rap tempo verdwijnt. De vanzelfsprekendheid waarmee het overkoepelende verhaal, dat oorspronkelijke bevolking en nieuwkomers met elkaar verenigde, werd aangeboden en vervolgens werd verinnerlijkt, bestaat niet meer.

Wekelijks ventileert Finkielkraut, zelf zoon van een Poolse jood, zijn geweeklaag in zijn interviewprogramma Répliques bij radio France Culture. De teksten van zestien uitzendingen selecteerde hij voor deze bundel. Thema’s die aan bod komen zijn onder meer de laïcité, de problematische integratie op de Franse scholen en de groeiende segregatie in de buitenwijken. Met academici en linkse en rechtse politici kruiste Finkielkraut de afgelopen jaren in zijn radio-uitzending de degens over deze onderwerpen. Jammer is dat deze bijdragen niet zijn voorzien van data; evenmin is duidelijk wat de geïnterviewden achteraf nog aan veranderingen hebben aangebracht.

De bundel opent met het thema ‘Is er een zwart vraagstuk in Frankrijk?’ Saillant, want in november 2005 vermeldde Finkielkraut dat de nationale voetbalploeg spijtig genoeg alleen uit zwarte spelers bestond. Nu vraagt hij zich af of ceremonies als de Herinneringsdag aan de slavernij (jaarlijks op 10 mei) een betere integratie van minderheden in de Franse samenleving mogelijk maken. Hoe kunnen dit soort herdenkingsrituelen voor specifieke bevolkingsgroepen tot werkelijke nationaal gedeelde riten worden omgebogen? En op welke wijze moeten de geschiedenissen van immigranten in een door alle Fransen te accepteren verhaal worden gegoten?

Finkielkraut constateert mismoedig dat alle mislukkingen van de integratie aan de staat worden toegeschreven. Frankrijk kenmerkt zich niet langer door een gedeeld verleden en een gezamenlijk toekomstproject maar is een ‘paspoortmaatschappij’ in wording. De leuze Liberté, égalité et fraternité’ is vervangen door Liberté, égalité et carte d’identité. Identiteit wordt niet langer nationaal gedragen, maar individueel opgeëist. Dat het land niet meer in staat is immigranten op te nemen komt volgens hem omdat de individuele claim op persoonlijk geluk en materieel comfort centraal is komen te staan. Dat is volgens Finkielkraut duidelijk te zien bij de school. Deze publieke instelling, eens de pijler van het republikeinse gedachtegoed, is een consumentenbalie geworden waar de klant, de leerling, koning is.

Alain Finkielkraut staat bekend als een provocateur. Zijn gasten kennen deze reputatie en vullen de uitingen van hun gastheer aan, corrigeren zijn bespiegelingen en wijzen op de complexiteit van de hedendaagse problemen waarmee de samenleving kampt. Het is deze wisselwerking die Qu’est-ce que la France? tot een interessante bundeling van reflecties op het thema nationale identiteit maakt, op de breuklijn van wat politiek correct is en wat niet.

Zowel Gallo als Finkielkraut delen in de heersende mineurstemming. Ze vinden het jammer dat patriottisme tegenwoordig verdacht is en de natie niet langer voor alle Fransen dient als een stimulerend en bindend referentiepunt. Oplossingen geven hun bijdragen niet; vragen werpen ze des te meer op. Beide auteurs verwachten, in de beste Franse traditie, een sturend antwoord van het Elysée. De vraag is of dat reëel is. De nieuwe president zal al alle zeilen bij moeten zetten om het gedeukte zelfvertrouwen van de Franse natie op te vijzelen.