De juiste toon

Peddy Bottom en de Kameel Ah Aha Ahem lopen in de zon illustratie Franciszka Themerson Themerson, Franciszka

Vaak is het ook een kwestie van toon. Neem bijvoorbeeld deze prachtige laatste zin van The Adventures of Peddy Bottom van Stefan Themerson: ‘And so they went on along the road, and the sun in the sky high above them was very bright and beautiful indeed’. Themerson was iemand die heel raak de toon van de kinderlijk verbaasde logicus kon aanslaan, als een ware twintigste-eeuwse Lewis Carroll. Zo ook in dit verhaal over een hondje dat iets menselijks heeft maar ook iets vissigs, of een jongetje dat iets hondachtigs heeft en ook iets vissigs, of een vis die iets jongensachtigs heeft maar ook iets honds. En in verband met deze identiteitsproblematiek raad zoekt bij een hooggeleerde kameel aan de universiteit, waar anders. Die onschuldige, kinderlijke sfeer vind je terug in de laatste zin. Maar niet in de vertaling. Nicolaas Matsier heeft er in 1981 het volgende van gemaakt: ‘En zo gingen ze voort over de weg, en de zon aan de hemel hoog boven hen scheen werkelijk stralend en prachtig.’ Mooi! Zo op het oog lijkt er niks mis mee. Competent en adequaat vertaald. En toch wringt er iets, en dat zekere je ne sais quoi is juist de ton qui fait la musique. In Vertalië zeggen de mensen het nooit op de simpele manier, maar er moet altijd iets bij dat het schrijftalig en dus authentiek Vertaliaans maakt. Het zit ’m in hele kleine dingen, woordjes als ‘voort’ en ‘werkelijk’ en in de net even afwijkende zinsvolgorde, die als kauwgum aan de voetzolen van je ogen blijft kleven. Je wilt namelijk automatisch lezen: ‘en hoog boven hen aan de hemel scheen de zon’ in plaats van het anglicistisch-achtige ‘en de zon aan de hemel hoog boven hen scheen’ etc. In plaats van het gezwollen ‘werkelijk stralend en prachtig’ lees je ook liever iets als ‘echt heel mooi en helder’, even mooi en helder als het proza van Themerson zelf. Kortom, liever las je: ‘En zo gingen ze verder over de weg, en hoog boven hen aan de hemel scheen de zon echt heel mooi en helder’. Ook in de rest van het verhaal is de vertaling het vaak nét niet, als gevolg van toondoofheid bij de vertaler. Bijvoorbeeld de eenvoudige retorische vraag van de karabinier: ‘You know that, don’t you?’, wat gewoon klinkt als ‘Dat weet u toch?’ en niet als Matsiers ‘Dat weet u, nietwaar?’ En als het over worstjes gaat, sausages, die in Matsiers vertaalpan met antiaanbaklaag ‘saucijsjes’ zijn geworden, en de vrouw van de karabinier zegt dat hij snel moet komen om ze op te eten want ‘They soon will be cold’, dan hoor je liever ‘Anders worden ze koud’ dan ‘Zo meteen zijn ze koud’. Hieruit blijkt dat je vertalen net zo goed met je oren moet doen als schrijven. Bij Matsier zijn die oren nogal eens verstopt, wisten we al van de eerste zin van zijn roman Gesloten huis. Zelfportret met ouders uit 1994: ‘Soms overkomt het je dat je opstaat uit je stoel, met een of ander doel: je wilde iets opzoeken, je moest wat halen, je ging koffie zetten – en opeens weet je niet meer waar het om begonnen was’. Vertalen en schrijven zijn twee rails op hetzelfde spoor over de bielzen van de taal.