Burgertrut en Breezerslet

In the film Little Children laat een ongelukkige overspelige huisvrouw, gespeeld door Kate Winslet, zich overhalen mee te doen met een leesclubje. Daar lezen ze, heel toevallig, Madame Bovary. Er zijn wat oudere vrouwen aanwezig, zichtbaar van de feministische lichting; een van hen heeft een Susan Sontag-achtige witte haarlok. Tegenover Winslet zit een andere jonge moeder, die ze kent van de speelplaats. De oudere vrouwen beklagen het lot van Emma Bovary, die immers gevangen zit in een doodsaai huwelijk en in haar naïeve radeloosheid steeds weer verkeerde keuzes maakt. Emma is een beklagenswaardig slachtoffer. Nee, zegt de blonde jonge moeder tegenover Winslet, met een verbeten trek om haar mond. Emma is onverantwoordelijk. Emma is ontrouw. Emma zet haar gezin niet op de eerste plaats. Emma is een slet.

Het gezelschap is er stil van.

In HP/De Tijd stond een paar weken geleden een stuk van deze jonge vrouw – alleen heette ze nu Fleur Jurgens. Onder de kop ‘Ik ben een burgertrut… en daar ben ik trots op’ schetst Jurgens zichzelf daarin als iemand die eenzaam tegen de keer ingaat in een land van louter Helen van Royens, pornoparty’s en Breezersletjes, maar in werkelijkheid is ze – zoals Little Children laat zien - allang een type. Een type dat grenzen aan de vrijheid durft te stellen, een type dat oordelen over anderen durft te vellen. In haar veelbesproken stuk keert Jurgens zich, in trouwe navolging van Theodore Dalrymple, tegen het volautomatische ideaal van de persoonlijke vrijheid, de afgedwongen seksuele losbandigheid, het geïnstitutionaliseerde gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel. Zijzelf heeft andere keuzes gemaakt, en daar is ze best wel een beetje trots op. Jurgens behoort tot een lichting dertigers die, in de gedenkwaardige woorden van de Rotterdamse CDA-wethouder Leonard Geluk, het woord moraal weer in de mond durft te nemen.

Ikzelf houd ook erg veel van moraal. Iets minder houd ik van morele zelfgenoegzaamheid – en die twee gaan, vooral in Nederland, onverdraaglijk vaak samen. Aan die nieuwe zelfgenoegzaamheid is overigens niets nieuw, het is het afgelopen decennium alleen naar de andere kant van het politieke spectrum verschoven, van links naar rechts. Daarmee is ook het accent verschoven. Werd je vroeger verketterd wanneer je kanttekeningen durfde te maken bij het dogma dat de mens werd bepaald door sociale omstandigheden – en wanneer er iets in zijn leven niet klopte, hij daar dus ook domweg het slachtoffer van was – tegenwoordig is het precies omgekeerd: alles hangt af van persoonlijke verantwoordelijkheid en de eigen keuze. Madame Bovary is geen slachtoffer – ze is onverantwoordelijk. En ook de Marokkaanse prinsjes waar dezelfde Jurgens onlangs een studie heeft gewijd, verschuilen zich achter de sleetse taal van hulpverleners om hun eigen verantwoordelijkheid te ontlopen.

Beide constateringen zijn waar. Emma Bovary had zich, net als Fleur Jurgens, gewoon aan haar man en kind kunnen wijden, dan was haar en de haren veel ellende bespaard gebleven. De Marokkaanse treiteraars hadden ook gewoon een opleiding kunnen volgen en van die tasjes kunnen afblijven. Omstandigheden zijn geen excuus.

Die nieuwe nadruk op de eigen verantwoordelijkheid komt niet uit de lucht vallen – het is een begrijpelijke reactie tegen de perverse neiging om iedereen die sociaal onaangepast gedrag vertoont op voorhand vrij te pleiten. De afgelopen twee eeuwen, de eeuwen van de Verlichting, groeide het begrip voor mensen die voorheen gewoon schuldig werden bevonden. Misdaden en wangedrag stonden niet langer op zichzelf, maar kwamen voort uit sociale omstandigheden, milieu, afkomst, psychische gesteldheid. Het lag aan alles, behalve aan de dader.

In de 19de eeuw kwam ook de strikte seksuele moraal op losse schroeven te staan – de kunst keerde zich tegen de bourgeoisie en toonde empathie met vrouwen die in de ogen van de zelfgenoegzame burger buiten de orde vielen: Therèse Raquin, Anna Karenina, Ibsens Nora, en Emma Bovary. De kunst zocht begrip voor benarde zielen en huldigde de vrijheid van het individu. Ook overspelige vrouwen waren slachtoffers.

De Amerikaanse schrijfster Edith Wharton, over wie ik elders in deze boekenbijlage schrijf, maakte de spanning tussen maatschappelijke normen en individuele vrijheid tot haar grote thema. In haar romans en daarbuiten keerde ze zich tegen de burgerlijke conventies, maar ook tegen diegenen die de totale ongebondenheid bepleitten. Ze was een kind van de 19de eeuw, maar leefde tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog – ze had een even grote hekel aan de bloedeloze, genadeloze groepsmoraal van de klasse waarin ze verkeerde, als aan de fel anti-maatschappelijke houding van de generatie tussen de twee oorlogen in, die geen enkel gebod wilde erkennen en individuele vrijheid boven alles stelde. Ze bevond zich, kort gezegd, tussen het nieuwe moralisme van Jurgens en het agressieve hedonisme van de stoute ‘meisjes’ Dekkers en Van Royen in.

Dat is een lastige positie, maar hij is tenminste niet zelfgenoegzaam. Wharton zag in dat een maatschappij niet zonder regels kan, de totale vrijheid is een leugen, maar ze begreep ook dat die regels zich onherroepelijk tegen het individu zouden keren. Dat was een tragisch besef – en vrijwel al haar werk gaat daarover. De mens is een oneindig complex wezen en ieder van ons is tot op een bepaalde hoogte sociaal onaangepast; het is die verborgen heftigheid waar Wharton zo goed over schrijft. Het doet er eigenlijk niet zo heel veel toe hoe een maatschappij is ingericht, zelfs in een vrijzinnige samenleving blijven veel van onze persoonlijke gevoelens verborgen. Altijd zal er een grote spanning tussen onze binnenwereld en maatschappij bestaan; maatschappelijk bevrijd betekent niet innerlijk bevrijd.

Die tragische inslag ontkennen is zelfgenoegzaam – en dat is precies wat de stoute ‘meisjes’ doen, en het brave meisje Jurgens met haar nieuw beleden burgerlijkheid eveneens. De eersten kondigen de totale ongebondenheid af, die niet bestaat; de tweede de totale aanpassing, die eveneens niet bestaat. Hun posities lijken tegengesteld aan elkaar, maar als je goed kijkt, zie je dat het twee kanten van dezelfde medaille zijn. Zowel de burgertrut als de Breezerslet zijn symptomen van een samenleving die geen samenleving meer is. Beiden weigeren resoluut nog langer verantwoordelijkheid voor anderen te dragen. Beiden vertonen een fataal gebrek aan inlevingsvermogen. Voor de een is Emma Bovary een dom, stout meisje dat het niet handig aanpakt, voor de ander is ze gewoon een slet.