Boommijdende vogels

Negenentwintigste deel van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

Een kanoet heeft geen pootjes om in een boom te zitten. Foto Sake Elzinga Nederland - Workum - ( Friesland ) - 18-04-2007 Workumerwaard natuurgebied langs het IJselmeer. Ilustratie bij verhaal Koos van Zomeren Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Er zijn ook vogels die niets van bomen moeten hebben. Voor zulke vogels kan een enkele eik, laat staan een meidoornhaag of een rijtje wilgen, een heel gebied bederven.

Je vindt ze bijvoorbeeld in de Workumerwaard. Vorig jaar stond daar nog een bosje bij een werkhok annex kijkhut van It Fryske Gea, maar dat is intussen grondig geknot; je ziet er niks meer van. Dus één ononderbroken vlakte belegd met een reepje IJsselmeer, waarop zeilschepen als traag schrijvende ganzenveren heen en weer gaan.

Op een zonovergoten zondag, begin april: brutaal baltsende grutto’s, bedeesd roepende tureluurs, kieviten en scholeksters natuurlijk, en in de verte nog een kluitje ganzen.

Langs een rij essen, nageroepen door roeken, liepen we deze vlakte in. Theunis met zijn onafscheidelijke telescoop op de schouder. Hij geniet van zo’n landschap. „Mij kan het niet weids genoeg zijn”, zei hij. Ik heb dat minder. Ik heb dat eigenlijk helemaal niet. Zonder bomen weet ik nooit goed waarheen of waarom.

„Vorige week”, zei Theunis. „Vijfentwintigduizend goudplevieren. Gisteren: twee- à drieduizend kemphanen.”

„Maar die zijn weer verder”, veronderstelde ik. Maar dat was niet zeker. Volgens Theunis waren deze vogels meesters in het zich verbergen in een terrein waarin je je niet kúnt verbergen.

Voor ons zijn het wad- of weidevogels. Ze hebben zich ontwikkeld in relatie met de grote boomloze gebieden van de wereld: toendra of steppe. Hun manier van vliegen wordt eerder door duurvermogen dan wendbaarheid gekenmerkt. Ze zijn kwetsbaar voor roofdieren. Elke oneffenheid in het terrein kan een verrassingsaanval opleveren, vanuit de lucht (slechtvalk) of over de grond (hermelijn).

„Nu zou je zeggen”, zei ik, „dat ze zich hier beter op andere bedreigingen kunnen instellen.” Noem maar op: stadsuitbreiding, ontwatering, mestinjector, cyclomaaier. Maar Theunis antwoordde: „Bij zoveel bedreigingen waaraan je niks kunt doen, wordt het misschien nóg belangrijker om bedreigingen het hoofd te bieden waaraan je wel wat kunt doen.”

En hij noemde de kanoet, de vogel waarover we het samen al zo vaak hadden gehad, als een extreme derde-dimensie-vermijder. „Ooit een kanoet bij een boom gezien?”, vroeg ik.

„In Guinee-Bissau zie je ze weleens overtijen op een zoutvlakte tussen de mangrove. Noodgedwongen, neem ik aan; ze moeten het daar doodeng vinden.”

„Maar in een boom?”

„Hij zou er meteen uitdonderen”, zei Theunis. „Een kanoet heeft daar gewoon de pootjes niet voor.”

We hadden inmiddels een ietwat verzonken gelegen observatiepost betrokken, een rietmat in de rug. Ja, dat eigenaardige verschil in waardering voor dit soort landschap. Of een kwestie van waardering is het niet. Het zit dieper. Het gaat erom waar je je wel of niet op je gemak voelt. Het ligt dan voor de hand om terug te grijpen op het landschap van je jeugd. Maar ook dat lijkt te simpel.

Theunis is opgegroeid in Hemelum, op de rand van Gaasterland. „Een kilometer de ene kant op”, zei hij, „en ik was een bosjongetje geworden. Maar ik ging altijd een kilometer de andere kant op, de open vlakte in.” Voor hem was het landschap van zijn jeugd het landschap van zijn keuze.

„Maar geborgen”, zei hij, „voel ik me hier ook niet.”

„Als ik hier een huisje had”, zei hij, „zou ik er wel bomen bij willen, wat essen, wat wilgjes, wat vlier. Geen populieren, niet te opzichtig.”

„Ook ik”, zei hij, „ben maar een eenvoudige savannebewoner die net uit een boom geklommen is. Mensen schijnen toch een voorkeur te hebben voor een parkachtig landschap, waar ze het liefst van bovenaf’ op neerkijken.”

„Met een obstakel in de rug”, vulde ik aan. Misschien komt het ook doordat wij geen ogen in ons achterhoofd hebben. Dat heeft een grutto strikt genomen ook niet, maar zijn ogen staan wel zo dat de horizon als een vrijwel gesloten cirkel om hem heen ligt. Daarbinnen géén bomen s.v.p.

Koos van Zomeren

Theunis Piersma (48), werkzaam bij het NIOZ op Texel en de Rijksuniversiteit Groningen.