Alle goed 30

Elk voorjaar verschijnt het jaarboek ‘Architectuur in Nederland’. Het is uitgegroeid tot een soort Nederlands kampioenschap architectuur. Maar hoe eerlijk is die wedkamp?

Het is lente en dus is het weer tijd voor een nieuw jaarboek Architectuur in Nederland. In zijn bijna twintigjarige bestaan is dit boek uitgegroeid tot een soort kampioenschap Nederlandse architectuur. De dertig ‘beste’ of in ieder geval ‘opmerkelijkste’ gebouwen die een jaar heeft opgeleverd, zijn erin opgenomen. De Nederlandse kampioen architectuur is het gebouw dat op de voorkant van het jaarboek prijkt.

Omdat architectuur natuurlijk geen wedstrijd is, is er altijd kritiek geweest op het jaarboek. Heel vaak luidt die dat het geen goed overzicht geeft van de recente Nederlandse architectuur, maar slechts een selectie is van een redactie op grond van onduidelijke criteria. Dit is juist. Hoewel het doel van bijvoorbeeld de tweede editie van het jaarboek nog was om „in beeld en woord de meest recente ontwikkelingen in de Nederlandse architectuur weer te geven”, werd dit nooit bereikt. Het zou ook niet verstandig zijn: het grootste gedeelte van de jaarlijkse Nederlandse bouwproductie is immers middelmatig, zodat een objectief overzicht ervan een saai en onverkoopbaar boek zou opleveren.

In het jaarboek van 2001/02 schrijft de redactie dan ook dat zij niet alleen heeft gezocht naar architectuur van de allerhoogste kwaliteit, maar ook naar „projecten die kenmerkend zijn voor de trends die op de Nederlandse nieuwbouwlocaties werden aangetroffen.” Zo is het jaarboek in de loop der jaren een tweeslachtige selectie geworden van ‘beste’ en ‘exemplarische’ gebouwen.

Ook het nieuwste jaarboek, dat dit weekeinde verschijnt, is weer zo’n hybride. Een goede stand van zaken van de huidige Nederlandse architectuur geeft het weer niet echt, zo leert een tocht langs de dertig gebouwen in het nieuwe jaarboek 2006/07 die ik samen met een cameraploeg van het televisieprogramma NPS Arena maakte. Zeker, de duurzame architectuur die in Nederland terrein wint, is vertegenwoordigd met Worm, een onspectaculaire maar sympathieke club in een zeventiende-eeuws pand in Delfshaven. Het interieur is hier bijna helemaal gemaakt van hergebruikte materialen, zoals een bank van oude autobanden. Ook de renaissance van de Nederlandse scholenbouw is goed gedocumenteerd met maar liefst drie nieuwe schoolgebouwen. Zelfs de privatisering van de publieke ruimte die overal in Nederland om zich heen grijpt, heeft een plaats gekregen in de vorm van een petieterig speelplaatsje in Hilversum met een hek eromheen.

Maar de belangrijkste trend in de huidige Nederlandse architectuur, het neotraditionalisme, is slechts vertegenwoordigd in zijn strenge, ornamentloze hoedanigheid. Zoals het schitterende, nieuwe cultuur- en bestuurshuis in Nijverdal, ontworpen door Claus en Kaan. Met zijn lange rij bakstenen tongewelven doet dit denken aan de antieke thermen in Rome en aan de negentiende-eeuwse textielfabrieken die er rondom Nijverdal stonden. De Grote Hof, een complex van 246 woningen in de Vinexwijk Ypenburg van Rapp + Rapp, sluit met zijn hoven aan op de aloude Nederlandse traditie van hofjeswoningen. Maar dan wel op een harde, meedogenloze manier: niet alleen zijn de vijf hoven van De Grote Hof heel groot, ook zijn ze allemaal rechthoekig en worden ze omgeven door bakstenen gevels waartussen de verschillen moeilijk zijn te zien.

Voor het strenge traditionalisme

van Claus en Kaan en Christian Rapp kunnen de meeste Nederlandse critici, en blijkbaar ook de redactie van het jaarboek, wel waardering opbrengen. Maar het pittoreske traditionalisme van bijvoorbeeld een bureau als Scala architecten, die huizen ontwerpen met klassieke daklijsten en ouderwetse luiken, ligt minder goed en ontbreekt in het nieuwe jaarboek. Misschien vinden de redacteuren dat ze vorig jaar met de opname van Leliënhuyze, het door Sjoerd Soeters ontworpen sprookjeskasteel met 67 woningen bij Den Bosch, voor jaren genoeg aandacht hebben besteed aan de „retro- en fantasy-architectuur die Nederland overspoelt”, zoals ze schreven.

Of misschien vinden ze het pittoreske neotraditionalisme niet goed genoeg – dat blijft gissen. Ook voor wie een deel van de tocht van de jaarboekredactie door Nederland heeft nagevolgd, blijven de precieze maatstaven voor kwaliteit ondoorgrondelijk. Maar het wordt wel iets duidelijker hoe ze tot hun beoordelingen komen dan wanneer je thuis blijft en het jaarboek op de bank doorneemt.

Het opvallendste bij de architectonische Ronde van Nederland is dat de redacteuren maar heel weinig tijd hebben om de tientallen gebouwen te beoordelen. „Hard rijden is altijd het beste”, zo begonnen de vier jaarboekredacteuren, Daan Bakker, Allard Jolles, Michelle Provoost en Cor Wagenaar, vorig jaar hun reisverslag dan ook in het jaarboek. „En dat hebben we gedaan, 2500 autokilometers (-) langs ruim honderd gebouwen, straten en wijken verspreid over heel Nederland. Drie in sjofel zwart geklede rapporteurs waren zeven dagen op pad.”

2500 kilometer, 100 gebouwen, 7 dagen oftewel: veertien gebouwen per dag en meer dan 350 kilometer per dag in de auto. Het kan niet anders of de redactie heeft veel gebouwen slechts enkele minuten bezocht. Dit betekent dat twee van de drie bestanddelen van architectuur zich aan een oordeel van de jaarboekredactie onttrekken.

De Romeinse architect Vitruvius

heeft eens een definitie gegeven van architectuur die nog steeds onovertroffen is: bouwkunst is een versmelting van stevigheid, bruikbaarheid en schoonheid. Maar of een gebouw ‘stevig’ is en echt goed gebouwd is, is in een paar minuten onmogelijk vast te stellen. Ook niet in een paar uur trouwens: bouwkundige gebreken blijken vaak pas na maanden of zelfs jaren.

Evenmin kan de bruikbaarheid van een gebouw na één bezoek al worden vastgesteld. Grote tekortkomingen, zoals te veel glas, vallen natuurlijk wel onmiddellijk op. In de Rioolwaterzuiveringsinstallatie West in Amsterdam kwam een werknemer ons al tijdens het bezoek vertellen dat hij dankzij de glazen gevels van het kantoorgebouw altijd werd gestoofd als de zon even scheen. Maar hoe een gebouw of een woonwijk nu precies functioneren, kun je pas vaststellen als je die gedurende langere tijd dagelijks gebruikt. Zo leek de beroemde, door MVRDV ontworpen Villa VPRO uit 1997 mij een prettig kantoor, nadat ik er een middag lang met tientallen anderen had rondgelopen over de vele trappen, hellingbanen en de wiebelende hangbrug. Maar niet lang nadat het VPRO-personeel in hun nieuwe gebouw was getrokken, bleek het de kantoorarbeidershel. Door het overvloedige gebruik van beton was de akoestiek rampzalig en de promenade architecturale die zaterdagmiddag nog zo mooi was, bleek voor zo weinig privacy en zo veel onrust te zorgen dat de werknemers van de VPRO er wanhopig van werden en in opstand kwamen.

Stevigheid en bruikbaarheid spelen dan ook nauwelijks een rol bij de beoordeling van architectuur. Waar het in de kritieken, en ook in het architectuurjaarboek, vooral om gaat is het derde bestanddeel van architectuur: schoonheid. En de schoonheid van een gebouw wordt in het tijdperk van de beeldcultuur eerst en vooral bepaald door hoe het zich voordoet als image.

Redacties van architectuurtijdschriften bepalen hun keuze om over een gebouw te publiceren vooral aan de hand van foto’s die ze krijgen opgestuurd, merkte bijvoorbeeld Don Murphy nadat hij in de jaren negentig mede het architectenbureau VMX had opgericht. Ze gaan zelden zelf op zoek naar gebouwen, schrijft hij in VMX Agenda, de onlangs verschenen biografie van zijn bureau. „Ze wachten liever tot het werk uit zichzelf verschijnt in hapklare persfolders.”

Ook de redactie van het jaarboek gaat zo te werk. In het voorjaar verschijnt er in verschillende tijdschriften en op internetsites een oproep tot inzendingen voor het jaarboek. Daarop komen zo’n driehonderd reacties, waaruit de redacteuren, aan de hand van foto’s, tekeningen en ander tweedimensionaal materiaal, een voorselectie maken van zo’n honderd gebouwen. Die bezoeken ze in de herfst. Dan moeten gebouwen in een uiterst korte tijd een goede indruk maken om opgenomen te worden in het jaarboek. Lukt dit niet, dan drukt een van de redacteuren het gaspedaal in en haasten ze zich naar het volgende gebouw.

De ondergeschikte rol

van stevigheid en bruikbaarheid bij de beoordeling van architectuur is geen verschijnsel van recente datum. Van oudsher staat gebrekkig functioneren de beroemdheid van een gebouw niet in de weg. Zo vonden de opdrachtgevers de Villa Savoye (1929) onbewoonbaar, maar toch werd dit vakantiehuis in Poissy bij Parijs een van Le Corbusiers meest bewonderde gebouwen. Ook de behoefte van architecten aan publicaties over hun werk is niet nieuw. De beroemdste architecten hebben bijna altijd boeken geschreven. Le Corbusier heeft er bijvoorbeeld 57 op zijn naam staan. Hij had een uitgekiende publiciteitsstrategie. Al voor hij iets substantieels had gebouwd begon hij een eigen tijdschrift, L’Esprit Nouveau, waarin hij met succes in woord en beeld zijn opvattingen over de nieuwe architectuur verkondigde.

In het begin van de eenentwintigste eeuw is het niet meer nodig om een eigen architectuurtijdschrift op te richten, zeker niet in Nederland. Er zijn podia genoeg: een stuk of tien architectuurtijdschriften, verschillende in architectuurnieuws gespecialiseerde sites, meer dan dertig regionale architectuurcentra en één groot landelijk architectuurinstituut in Rotterdam. Ook bestaan er sinds de jaren tachtig maar liefst twee in architectuur gespecialiseerde uitgeverijen: 010 en NAi Publishers. Die zorgen voor een stroom architectuurboeken met het jaarboek als vlaggeschip.

De overvloedige media-aandacht voor architectuur heeft geleid tot een andere houding van architecten. Nog meer dan in de tijd van Le Corbusier moet een architect die wil dat zijn werk wordt gepubliceerd, een gebouw ontwerpen dat het vooral op foto, als beeld dus, goed doet. „Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat voor sommige collega-architecten publiceren een doel op zichzelf werd”, schrijft Don Murphy dan ook in VMX Agenda. „We merkten hoe architecten steeds meer mediageniek werk begonnen te maken, en meer en meer aandacht besteedden aan uitzonderlijke one-of-a-kind-gebouwen.”

Daar blijft het niet bij. Veel architectenbureaus gaan nog een stap verder en huren gespecialiseerde fotografen in voor het vastleggen van hun gebouwen. Sommigen laten zelfs geënsceneerde foto’s maken. Beroemd zijn bijvoorbeeld de foto’s met giraffen in de tuin die Rem Koolhaas in 1990 door Hans Werlemann liet maken van de Villa dall’Ava in Saint-Cloud bij Parijs.

De trend van mediagenieke gebouwen is niet met de millenniumwisseling gestopt. Volgens de Brits-Amerikaanse architectuurcriticus Charles Jencks luidde het einde van de twintigste eeuw zelfs het begin van het tijdperk van het ‘iconische’ gebouw in. Sinds het succes van Frank Gehry’s delirische Guggenheim Museum in Bilbao in 1997 willen elke stad en elk groot bedrijf een gebouw als beeldmerk, schrijft hij in The Iconic Building uit 2005.

Ook in het nieuwe jaarboek komen veel ‘iconische’ gebouwen. Het Sportplaza Mercator van Ton Venhoeven in Amsterdam is er een bescheiden voorbeeld van. Dit zwembad met fitnessruimte en restaurants is vermomd als een neergestort Stealth-vliegtuig dat van onder tot boven is begroeid met tachtig verschillende soorten planten. Ook het Metzo-college van Erick van Egeraat, een neobarokke Azteekse piramide aan de rand van Doetinchem , is een echt one-of-a-kind-gebouw. Hetzelfde geldt voor het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum, met zijn felgekleurde gevels van glazen platen. Als een kolossale vierkante lamp staat het aan de rand van het Mediapark en is nu al, een paar maanden na de opening, het ‘iconische’ gebouw van de Nederlandse televisie geworden.

Jaarboek Architectuur in Nederland 2006/07. Uitg. NAi Publishers, prijs 39,50 euro