Zwaaien met de gele kaart, maar waar is de rode?

Na het ‘nee’ van Nederlanders tegen de Europese Grondwet, kijkt het parlement Brussel scherper op de vingers. Maar Eerste en Tweede Kamer willen méér greep krijgen. „Dit hadden we veel eerder moeten doen.”

Wilmer Heck

Moet de Europese Unie zich bemoeien met het echtscheidingsrecht, bescherming van de bodem tegen erosie of het bestraffen van zware milieudelicten? Daar moet Brussel met zijn handen vanaf blijven, vinden de Eerste en Tweede Kamer. Deze zaken moeten nationaal worden geregeld. Maar de voltooiing van de gezamenlijke markt voor de post of nauwe Europese samenwerking door universiteiten zijn typisch onderwerpen waar de EU zich wél mee moet bemoeien.

Niet eerder heeft het Nederlandse parlement zich zo intensief bezig gehouden met de plannenmakerij in Brussel als in de laatste twaalf maanden. „Wij willen een Europa dat werkt – en het parlement kan veel meer doen om dat te bereiken”, zegt Tweede Kamerlid Han ten Broeke (VVD). Hij is lid van de parlementaire commissie die de stapels wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie toetst. Kan iets beter op Europees of nationaal niveau worden geregeld, was de vraag voor de commissie, die niet naliet ook een politiek oordeel over de plannen uit te spreken.

„Dit hadden we veel eerder moeten doen”, bekent Eerste Kamerlid Erik Jurgens (PvdA). „De toetsing is pure winst.” Het parlement is volgens hem vijftig jaar te onverschillig geweest.

Zo kon het gebeuren dat de toenmalige minister Pronk (PvdA, Milieu) in 1999 instemde met Europese normen voor fijnstof in de lucht, in de wetenschap dat Nederland grote moeite zou hebben tijdig aan die normen te voldoen. Nog steeds liggen honderden grote bouwprojecten stil, omdat ze bij realisering leiden tot te veel fijnstof. Als de Kamer destijds had opgelet, had het Pronk kunnen dwingen niet met de fijnstofnormen in te stemmen, of kunnen aandringen op investeringen in een betere luchtkwaliteit.

In landen als Denemarken, Oostenrijk of Engeland is het parlement al lang veel strenger in de controle op de eigen regering in Europese zaken. Maar het ‘nee’ van de Nederlanders tegen de Europese Grondwet heeft ook de parlementariërs in Den Haag wakker geschud. Als experiment werd ruim een jaar geleden de commissie-Van Dijk opgericht, genoemd naar de voorzitter, Tweede Kamerlid Jan Jacob van Dijk (CDA).

Deze week stuurde de commissie het evaluatierapport naar het presidium van de Kamer. Het belangrijkste advies: doorgaan, in een hoger tempo en mét alle politieke partijen. „Ook de Partij voor de Dieren van Marianne Thieme en de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders moeten vertegenwoordigers in onze commissie hebben”, zegt Van Dijk.

Hoewel de commissie over de meeste Brusselse plannen kritisch oordeelde, is zelfs de Europavriendelijkste partij te spreken over het resultaat. Boris van der Ham (D66): „Het belangrijkste is dat de betrokken Kamerleden en ambtenaren meer kennis van Europa krijgen. Aan de luchtkwaliteit hebben we destijds nauwelijks aandacht besteed en daar hebben we later veel last van gehad. Nu spreekt het parlement zich vaker uit over Europese voorstellen en stuurt het ministers vaker met een duidelijke boodschap naar de Europese onderhandelingstafel.”

Maar kan het parlement ook de rode kaart trekken en EU-wetgeving tegenhouden? „Dat kunnen we niet”, erkent Van Dijk. Alleen met de gele, waarschuwende, kaart kan gezwaaid worden. Daarom ijvert Ten Broeke (VVD) ervoor de politieke controle met een ‘parlementair voorbehoud’ te vergroten. Vertegenwoordigers van de regering mogen pas onderhandelen nadat de Kamer zich over een onderwerp heeft uitgesproken.

„Wij moeten zorgen, dat onze minister doet wat we zeggen”, stelt Jurgens. Dat zal op „stijve weerstand” stuiten van Buitenlandse Zaken, verwacht Wim Voermans, hoogleraar staats- en bestuursrecht. „Zij willen hun onderhandelingsmarge behouden. In Groot-Brittannië is het ministerie op onderdelen van het EU-beleid buitenspel gezet. De Britten, en zelfs het ministerie van Buitenlandse Zaken , vinden dat nu een goede ontwikkeling. Ze zeggen effectiever te kunnen onderhandelen en binnenlands meer draagvlak voor beslissingen te krijgen”, aldus Voermans.

Volgens Jurgens moet Europese wetgeving in Den Haag hetzelfde worden behandeld als nationale wetgeving. „De institutionele luiheid moet doorbroken worden.” Hoe? „In het reglement van orde moet worden opgenomen, dat elke Kamercommissie wordt verplicht om automatisch naar Europese wetsvoorstellen op haar terrein te kijken. Europa is binnenlandse politiek en onderwerpen verdienen dezelfde behandeling.”

Maar er is een kentering gaande. „De commissie-Van Dijk is een stap vooruit”, zegt Jurgens. Alleen al het feit dat de verschillende Kamercommissies wordt gevraagd ‘wat doe je ermee’, dwingt Kamerleden een mening te vormen. Jurgens: „Het gezonde wantrouwen dat parlementen in andere landen zoals Denemarken of Finland al langer kennen, begint bij ons nu ook zeker te komen.”