Voedseldumping bedreigt agrarische sector in Afrika

Afrika wordt voor zijn voedsel bijna geheel afhankelijk van Europa. Vandaag vinden acties plaats tegen onderhandelingen over handelsovereenkomsten die deze ontwikkeling nog verder stimuleren.

Voor Jean Raymond Kattakoykan is een kip een vogel met een kop, kont, borst, vleugels en poten. Zo heeft de burgemeester van het Kameroense dorp Bameka jarenlang kippen gefokt, geslacht, verkocht en ook zelf gegeten. Hij deelde zijn ambacht van pluimveehouder met duizenden andere boeren in de omgeving: Bameka, in Noordwest-Kameroen, staat bekend om de indrukwekkende pluimveesector. Tenminste, vroeger.

Want net als bijna heel West-Afrika wordt Kameroen al tien jaar overspoeld met diepgevroren kippendelen uit Europa. Het gaat om zogenoemde left overs: kipproducten die in Europa nauwelijks geconsumeerd worden, zoals kop, kont en rug.

De Europese export heeft in tien jaar bijna de pluimveesector in landen als Benin, Ghana, Ivoorkust, Kameroen, Mali en Senegal de nek omgedraaid. Want de kippendelen uit Europese landen – Nederland en Frankrijk aan kop – gaan in Afrika zo goedkoop over de toonbank, dat lokale boeren er niet tegenop kunnen concurreren. „We halen niet eens onze kosten eruit”, verzucht Kattayokan.

Tot medio jaren negentig verzorgden de Afrikaanse boeren de lokale kippenvleesconsumptie. Import vanuit Europa was aan strenge eisen en hoge importheffingen gebonden. Onder druk van de Wereldbank moesten die barrières worden geslecht: vrijhandel in ruil voor begrotingssteun. „De gevolgen waren catastrofaal”, zegt Jakob Kotcho, directeur van de Kameroense consumentenorganisatie ACDIC (Association Citoyenne de Défense des Interêts Collectifs). „In Kameroen steeg de import van Europese kippendelen van 978 ton in 1996 naar 22.000 ton in 2003. Daardoor verloren ruim 100.000 mensen hun baan, los van het banenverlies in de toeleveringssector zoals veevoer.” In Ghana en Ivoorkust – die langer volhardden tegen de eisen van de Wereldbank – groeide de import van 2002 naar 2003 met respectievelijk 30 procent en 150 procent. In Togo werd de relatief moderne kipverwerkingsindustrie volledig om zeep geholpen door een importstijging van 1.800 ton in 1996 naar 7.000 ton in 2002.

De Europese kippensector verwerkte voorheen de restanten van de kippen in katten- en hondenvoer. „Maar het risico bestond altijd dat die kiprestanten ook in de gewone consumptiehandel terechtkwamen en door de lage prijs de markt zouden verstoren”, zegt Francisco Mari, Europees lobbyist en kippenspecialist voor de Duitse organisatie Evangelischer Entwicklungsdienst.

Volgens Mari ligt de oorzaak van de kippendumping bij de cultuur van vleesconsumptie in Europa. „Kippen worden hier voornamelijk gefokt voor kipfilet. De prijs voor kipfilet is door de industrie kunstmatig op 9 euro per kilo bepaald, hoewel de kostprijs voor een totale kip op maximaal 2,50 euro ligt. Om te voorkomen dat de restanten te goedkoop de Europese markt opgaan, worden ze dus naar Afrika geëxporteerd.” Het gaat om enorme dumpingen, stelt Mari: „Een kip bestaat uit meer dan filet. Dat betekent dat er veel meer kip wordt geproduceerd dan nodig is. Er is dus een enorm overschot – zoals kop en kont – dat zoveel mogelijk buiten Europa moet worden gehouden. De prijs in Afrika bedraagt om die reden zo’n 70 cent per kilo.” Een Afrikaanse lokale kip kost de boer aan kostprijs 2,50 euro, net zoals in Europa.

Nederland loopt volgens Mari in deze ontwikkeling voorop. „Bijna al de geproduceerde kipfilet uit Nederland wordt geëxporteerd, vooral naar Duitsland. En dus het afval ook, maar dan vooral naar Afrika.”

De export van diepvrieskippendelen vanuit Europa heeft in Afrikaanse landen als Kameroen niet alleen de eigen sector vernield maar het land daardoor ook in belangrijke mate afhankelijk gemaakt. „Wij zijn niet meer in staat om zelf voor onze voedselvoorziening te zorgen”, zegt Kotcho van ACDIC. „Dat gaat verder dan alleen kippenvlees. Het is al een feit bij de rijstproductie, die volledig is weggevaagd door de import uit Thailand. Het dreigt te gebeuren met melk, waarvan de import vooral uit Nederland en Spanje komt en hetzelfde scenario speelt zich af met de uien, ook vooral afkomstig uit Nederland en België.”

West-Afrikaanse boeren slaan juist nu alarm, omdat de Europese Unie met Afrikaanse regeringen onderhandelt over een nog verder gaande openstelling van de markten. „Voor het einde van het jaar moeten er economische handelsverdragen gesloten zijn, waarin Afrika, het Caraïbische Gebied en de Pacific verplicht worden hun grenzen open te gooien voor Europese producten”, stelt Kotcho. „Dat is een gevolg van de afspraken binnen de Wereldhandelsorganisatie, waarin vrijhandel voorop wordt gesteld. Als dat gebeurt, betekent het het einde van de landbouwsector in veel Afrikaanse landen. We worden volledig van Europa afhankelijk als het om onze voeding gaat.”

Kattakoykan beaamt dat: „Vroeger kreeg een baby bij de geboorte een eendagskuiken mee. Dat was symbolisch voor een goede ontwikkeling, gezondheid en toekomst. Maar nu”, en hij wijst naar de lege rennen om zich heen, „hebben we geen eendagskuikens meer.”